STATISCH OP
WINTERSE
‘CULTUUR-
KARPERS’
TEKST: BARD BORGER > FOTOGRAFIE: SANDER BOER
In veel woonwijken vind je vaak het nodige cultuurwater. Deze vijvers, singels, grachten en andere aangelegde waterpartijen herbergen soms verrassend veel karper. In de koude maanden ligt de focus van karperfanaat Henri Kellij (67) op deze ‘cultuurkarpers’. Op een kille winterochtend doet hij aan de rand van Amsterdam-Zuidoost zijn statische aanpak uit de doeken.
ALTIJD AL KARPERVIRUS
Met een verse kop koffie erbij is het wachten op een volgende aanbeet. Dat biedt Henri de gelegenheid om terug te blikken op zijn karpercarrière. “Mijn allereerste karper ving ik als achtjarig jochie in het Twentekanaal, samen met mijn opa. Dat was nog met een bamboehengel”, zegt de geboren Enschedeër. “Later schakelde ik over op het statisch vissen in de regio Apeldoorn. Toen ik op mijn zeventiende naar Amsterdam verhuisde voor de afronding van mijn koksopleiding, had het karpervirus me volledig te pakken.” Inmiddels woont hij alweer zo’n veertig jaar in de Bijlmer. “Daar vis ik vooral veel in de winterperiode, maar verder ben ik voornamelijk aan het Amsterdam-Rijnkanaal en in de binnenstad aan de Amstel te vinden.” Op zijn campertrektochten door Europa gaan zijn hengels ook steevast mee. “Dan vis ik op allerlei watertypen en allerlei vissoorten. Maar ik kom toch altijd weer terug bij de karper.”
LOODVERVANGERS EN BLUBBER
Even later komen Henri’s werpgewichten ter sprake. “Die wegen elk 100 gram en zijn gemaakt van gemalen steen en ijzer. Die materialen gebruik ik tegenwoordig bijna standaard, dit uit milieuoverwegingen. Want voor de visveiligheid vis ik vaak met drop-off-systemen (waarbij het werpgewicht in het geval van lijnbreuk loskomt van de onderlijn, red.). Blijft er onverhoopt een loodvervanger achter in het water, dan voel ik minder wroeging vergeleken met wanneer je schadelijk lood verliest.” Ook het lagere soortelijk gewicht van steen en ijzer zijn wat Henri betreft een voordeel. “Daardoor zakt het gewicht namelijk niet zo diep in de bagger, waardoor je met kortere onderlijnen kunt vissen. En geloof mij: die baggerlaag is hier heel dik. Met het oog op de doorstroming haalt de gemeente namelijk alleen in de belangrijkste watergangen de ergste troep uit het water. En daar vallen deze vijverpartijen niet onder.”
REGELMATIG TERUGVANGSTEN
In gesprek met een sportvisser komt op een gegeven moment haast als vanzelf de telefoon tevoorschijn – het moderne, digitale fotoalbum. Op het scherm van Henri’s smartphone komen scrollend talrijke indrukwekkende karpers voorbij. Stuk voor stuk zijn het vissen van een formaat dat je niet snel in relatief klein cultuurwater verwacht. “Hier zwemmen ook spiegel- en schubkarpers in gewichten tot zo’n 15 kilo. Daarvan heb ik sommige vissen inmiddels al meerdere keren gevangen. Zoals ik al aangaf kan de vis kan hier niet heel erg ver weg zwemmen”, verklaart Henri. Klagen over de vangsten doet hij zeker niet, maar wat regelmatigere extra uitzet van snelgroeiende karper door de hengelsportvereniging zou hij wel waarderen. “Hoe makkelijker jong en oud een karper kunnen vangen, hoe meer je de hengelsport en de -vereniging levend houdt.”
GEDULD TOCH BELOOND
Rond half vier is het dan uiteindelijk tóch raak. Zodra Henri twee korte piepjes uit de beetverklikker hoort komen, schiet zijn blik over het water. Direct heeft hij in de smiezen dat de lijn van de rechterhengel gestaag naar rechts beweegt. “Hij heeft zichzelf al gehaakt, zie je dat?”, klink het terwijl hij de hengel van de steun pakt. Na een kalme dril tilt Henri een prachtige schub van ongeveer vijf kilo in de cradle. Piepkleine parasietjes op de buik verraden dat deze vis al een poos aan de koude blubberbodem ‘geplakt’ lag. “Dit is typisch een winters fenomeen. Het zou me niets verbazen als deze vis al dagen op de stek bivakkeerde en pas net was gaan azen.” Dat deze karper voor de snowgirl ging – het aas dat sinds het inleggen vanochtend niet één keer uit het water is geweest – verwondert Henri ook niet. “Je ziet het: juist in de winter wordt geduld beloond.”
Voer in de winter spaarzaam aangezien de karper maar mondjesmaat aast.
‘mijn allereerste karper ving ik als 8-jarig jochie aan het twentekanaal, samen met mijn opa’
VISVEILIGHEID
Visveiligheid heeft misschien wel de hoogste prioriteit voor Henri. “Mijn landingsnet en cradle maak ik altijd als eerste gereed en ruim ik als laatste weer op – en dat zou voor elke karpervisser zo moeten zijn”, zegt hij stellig. Henri heeft standaard twee landingsnetten bij zich voor het geval zijn hengels wat verder uit elkaar staan. “Twijfel je als karpervisser tussen een cradle of een standaard onthaakmat, dan adviseer ik altijd die eerste. Daarin ligt de vis veilig, zonder dat hij kan gaan schuiven als de oever wat schuiner is”, legt hij uit.
De snowgirl
is een pop-up die iets verstopt zit in een zinkende, grotere boilie
PENETRANTE GEUR
Zodra Henri zijn aasemmertjes opent – eentje met daarin hele boilies, de andere met een mengsel van vismeel, maisvlokken, boekweit, kleine pellets en halve plus vermalen boilies – komt een penetrante geur vrij. “Hier heb ik een extra sterke zoete flavour aan toegevoegd”, legt hij uit. “Of het voor de karper veel uitmaakt weet ik niet zeker, maar ik geloof erin. Als het om aas en rigs gaat komt veel op persoonlijke voorkeur aan. Met mijn vismaat discussieer ik vaak over dit soort kwesties. De conclusie is dat het uiteindelijk om vertrouwen draait.” Met behulp van een voerbootje, dat hij bestuurt via een app op zijn telefoon, vaart Henri even later zijn lijnen en twee handjes voermix naar de stek die hij eerder aanwees. “Werpen richting hotspots zoals paaltjes, overhangende bomen en struiken is ietwat riskant. Met zo’n bootje mik je altijd precies raak.”
STABIEL WEERTYPE
In de week voorafgaand aan deze sessie had Henri zijn twijfels over het weer, maar omdat de visdag niet gemakkelijk te verplaatsen was zitten we toch aan het water. Dat roept vanzelf de vraag op wat voor omstandigheden hij het liefst heeft? “Stabiel weer is het best, zeker als de wind langere tijd uit westelijke richting komt. Helaas schieten de luchtdruk en windrichting de laatste weken alle kanten op”, luidt het antwoord. “Zeker in ondiep water voelt de vis die continue schommelingen vrij goed – en daar houden ze niet van. Op de vangsten is momenteel dus geen peil te trekken. Soms vang je meteen een vis en krijg je de rest van de dag geen aanbeet meer, soms moet je juist lang wachten op een vangst. Sowieso aast de karper in de winter maar mondjesmaat. In dit jaargetijde mag je met één vis doorgaans in je handjes knijpen.”
DIKKE BIJNA-BRASEM
Na een paar uur wachten en praten over zaken als aanpak, materiaal, voer en aas lijken Henri’s twijfels over het weer op zijn plaats: de lijnen liggen nog altijd roerloos in het water, de beetverklikkers zwijgen in alle toonaarden. Toch vindt Henri het niet nodig om het aas te controleren. “Daarmee verstoor je de stek alleen maar, die boilies liggen daar prima. Het is gewoon een kwestie van geduld hebben.” Rond het middaguur krijgt Henri gelijk: ineens schalt er een serie piepjes over het water. Binnen vijf tellen staat hij met de betreffende hengel in zijn hand en stuurt-ie de ‘dader’ – een grote brasem – richting het landingsnet. Vlak voor de kant schiet de vis helaas los. “Nou ja, in ieder geval hebben we even wat actie gehad”, blijft Henri positief.
De ‘multirig’ heeft een lusje met daarin de haak, zodat je exact kunt bepalen hoeveel bewegingsvrijheid de haak heeft.
met zijn scooter plus viskar gaat henri op pad in amsterdam en omgeving
‘Werpen
richting hotspots zoals paaltjes, overhangende bomen en struiken is ietwat riskant – met een voerboot mik je altijd precies raak’
“Hemelsbreed gezien woon ik hooguit een kilometer hier vandaan”, zegt Henri als hij zijn imposante viskar heeft geparkeerd op een beschut grasveldje pal aan het water in de Bijlmer. Een geschrokken meerkoet schiet de rimpelloze vijver in, zo’n twintig meter achter ons laat een andere vroege vogel zijn hond uit. “Dit vijver- en slotenstelsel staat via een gemaal iets verderop in verbinding met de Weespertrekvaart, maar verder zit de vis hier min of meer opgesloten tot aan Diemen”, schetst Henri de situatie. “Karpervissers uit Amsterdam en omstreken komen hier graag, maar met name in de zomermaanden. Ik ben hier vooral ’s winters te vinden. Meestal is het dan lekker rustig, zoals nu.”
VASTE VOERPLEKJES
Henri verwijdert het zeil van zijn viskar, laadt een handvol emmers en bakjes uit en zet zijn ruime landingsnet in elkaar. Via een paadje door het groen loopt hij naar zijn stek, waar hij het net rechtop tegen een struik plaatst. Pal daarnaast komt zijn cradle (een soort onthaakmat op poten) te staan, bij de waterkant gaan twee paar hengelsteunen met elektronische beetverklikkers de grond in. “Zie je die rij met paaltjes, vlak voor de oever aan de overkant?”, vraagt hij zodra alles gereed staat. “Dat is een van de vaste plekjes in dit waterstelstel waar ik zo vanaf half oktober gedurende de hele winter twee keer per week boilies voer – vaak ’s avonds als ik een rondje door de wijk loop. Kleine beetjes, want in de winter vreten ze niet veel. Het gaat erom dat de karper leert dat er bijna altijd voedsel te vinden is en dat ze mijn boilies gaan vertrouwen.”
NYLON HOOFDLIJN
Ondertussen tuigt hij op zijn gemak de eerste hengel op. Onder de pakweg drie meter lange stok monteert hij een robuuste molen in het 6000-formaat. De spoel zit tot de rand vol met 38/00 nylon. “In het statische karpervissen zie je tegenwoordig ook veel gevlochten lijn, maar zeker op cultuurwater vind ik dat nergens voor nodig. Alleen wanneer je op grote afstand vist kan de gevoeligheid van dyneema meerwaarde hebben. Fluorocarbon als hoofdlijn raad ik sowieso ten zeerste af. Die lijnsoort is heel gevoelig voor algen en ander vuil in het water, waardoor er een soort aanslag ontstaat. Als gevolg hiervan gaat de doorzichtigheid van het fluorocarbon verloren, wat de karper afschrikt.”
STATISCH OP
WINTERSE
‘CULTUUR-
KARPERS’
TEKST: BARD BORGER > FOTOGRAFIE: SANDER BOER
In veel woonwijken vind je vaak het nodige cultuurwater. Deze vijvers, singels, grachten en andere aangelegde waterpartijen herbergen soms verrassend veel karper. In de koude maanden ligt de focus van karperfanaat Henri Kellij (67) op deze ‘cultuurkarpers’. Op een kille winterochtend doet hij aan de rand van Amsterdam-Zuidoost zijn statische aanpak uit de doeken.
‘mijn allereerste karper ving ik als 8-jarig jochie aan het twentekanaal, samen met mijn opa’
ALTIJD AL KARPERVIRUS
Met een verse kop koffie erbij is het wachten op een volgende aanbeet. Dat biedt Henri de gelegenheid om terug te blikken op zijn karpercarrière. “Mijn allereerste karper ving ik als achtjarig jochie in het Twentekanaal, samen met mijn opa. Dat was nog met een bamboehengel”, zegt de geboren Enschedeër. “Later schakelde ik over op het statisch vissen in de regio Apeldoorn. Toen ik op mijn zeventiende naar Amsterdam verhuisde voor de afronding van mijn koksopleiding, had het karpervirus me volledig te pakken.” Inmiddels woont hij alweer zo’n veertig jaar in de Bijlmer. “Daar vis ik vooral veel in de winterperiode, maar verder ben ik voornamelijk aan het Amsterdam-Rijnkanaal en in de binnenstad aan de Amstel te vinden.” Op zijn campertrektochten door Europa gaan zijn hengels ook steevast mee. “Dan vis ik op allerlei watertypen en allerlei vissoorten. Maar ik kom toch altijd weer terug bij de karper.”
LOODVERVANGERS EN BLUBBER
Even later komen Henri’s werpgewichten ter sprake. “Die wegen elk 100 gram en zijn gemaakt van gemalen steen en ijzer. Die materialen gebruik ik tegenwoordig bijna standaard, dit uit milieuoverwegingen. Want voor de visveiligheid vis ik vaak met drop-off-systemen (waarbij het werpgewicht in het geval van lijnbreuk loskomt van de onderlijn, red.). Blijft er onverhoopt een loodvervanger achter in het water, dan voel ik minder wroeging vergeleken met wanneer je schadelijk lood verliest.” Ook het lagere soortelijk gewicht van steen en ijzer zijn wat Henri betreft een voordeel. “Daardoor zakt het gewicht namelijk niet zo diep in de bagger, waardoor je met kortere onderlijnen kunt vissen. En geloof mij: die baggerlaag is hier heel dik. Met het oog op de doorstroming haalt de gemeente namelijk alleen in de belangrijkste watergangen de ergste troep uit het water. En daar vallen deze vijverpartijen niet onder.”
REGELMATIG TERUGVANGSTEN
In gesprek met een sportvisser komt op een gegeven moment haast als vanzelf de telefoon tevoorschijn – het moderne, digitale fotoalbum. Op het scherm van Henri’s smartphone komen scrollend talrijke indrukwekkende karpers voorbij. Stuk voor stuk zijn het vissen van een formaat dat je niet snel in relatief klein cultuurwater verwacht. “Hier zwemmen ook spiegel- en schubkarpers in gewichten tot zo’n 15 kilo. Daarvan heb ik sommige vissen inmiddels al meerdere keren gevangen. Zoals ik al aangaf kan de vis kan hier niet heel erg ver weg zwemmen”, verklaart Henri. Klagen over de vangsten doet hij zeker niet, maar wat regelmatigere extra uitzet van snelgroeiende karper door de hengelsportvereniging zou hij wel waarderen. “Hoe makkelijker jong en oud een karper kunnen vangen, hoe meer je de hengelsport en de -vereniging levend houdt.”
GEDULD TOCH BELOOND
Rond half vier is het dan uiteindelijk tóch raak. Zodra Henri twee korte piepjes uit de beetverklikker hoort komen, schiet zijn blik over het water. Direct heeft hij in de smiezen dat de lijn van de rechterhengel gestaag naar rechts beweegt. “Hij heeft zichzelf al gehaakt, zie je dat?”, klink het terwijl hij de hengel van de steun pakt. Na een kalme dril tilt Henri een prachtige schub van ongeveer vijf kilo in de cradle. Piepkleine parasietjes op de buik verraden dat deze vis al een poos aan de koude blubberbodem ‘geplakt’ lag. “Dit is typisch een winters fenomeen. Het zou me niets verbazen als deze vis al dagen op de stek bivakkeerde en pas net was gaan azen.” Dat deze karper voor de snowgirl ging – het aas dat sinds het inleggen vanochtend niet één keer uit het water is geweest – verwondert Henri ook niet. “Je ziet het: juist in de winter wordt geduld beloond.”
Voer in de winter spaarzaam aangezien de karper maar mondjesmaat aast.
VISVEILIGHEID
Visveiligheid heeft misschien wel de hoogste prioriteit voor Henri. “Mijn landingsnet en cradle maak ik altijd als eerste gereed en ruim ik als laatste weer op – en dat zou voor elke karpervisser zo moeten zijn”, zegt hij stellig. Henri heeft standaard twee landingsnetten bij zich voor het geval zijn hengels wat verder uit elkaar staan. “Twijfel je als karpervisser tussen een cradle of een standaard onthaakmat, dan adviseer ik altijd die eerste. Daarin ligt de vis veilig, zonder dat hij kan gaan schuiven als de oever wat schuiner is”, legt hij uit.
De snowgirl
is een pop-up die iets verstopt zit in een zinkende, grotere boilie
PENETRANTE GEUR
Zodra Henri zijn aasemmertjes opent – eentje met daarin hele boilies, de andere met een mengsel van vismeel, maisvlokken, boekweit, kleine pellets en halve plus vermalen boilies – komt een penetrante geur vrij. “Hier heb ik een extra sterke zoete flavour aan toegevoegd”, legt hij uit. “Of het voor de karper veel uitmaakt weet ik niet zeker, maar ik geloof erin. Als het om aas en rigs gaat komt veel op persoonlijke voorkeur aan. Met mijn vismaat discussieer ik vaak over dit soort kwesties. De conclusie is dat het uiteindelijk om vertrouwen draait.” Met behulp van een voerbootje, dat hij bestuurt via een app op zijn telefoon, vaart Henri even later zijn lijnen en twee handjes voermix naar de stek die hij eerder aanwees. “Werpen richting hotspots zoals paaltjes, overhangende bomen en struiken is ietwat riskant. Met zo’n bootje mik je altijd precies raak.”
STABIEL WEERTYPE
In de week voorafgaand aan deze sessie had Henri zijn twijfels over het weer, maar omdat de visdag niet gemakkelijk te verplaatsen was zitten we toch aan het water. Dat roept vanzelf de vraag op wat voor omstandigheden hij het liefst heeft? “Stabiel weer is het best, zeker als de wind langere tijd uit westelijke richting komt. Helaas schieten de luchtdruk en windrichting de laatste weken alle kanten op”, luidt het antwoord. “Zeker in ondiep water voelt de vis die continue schommelingen vrij goed – en daar houden ze niet van. Op de vangsten is momenteel dus geen peil te trekken. Soms vang je meteen een vis en krijg je de rest van de dag geen aanbeet meer, soms moet je juist lang wachten op een vangst. Sowieso aast de karper in de winter maar mondjesmaat. In dit jaargetijde mag je met één vis doorgaans in je handjes knijpen.”
DIKKE BIJNA-BRASEM
Na een paar uur wachten en praten over zaken als aanpak, materiaal, voer en aas lijken Henri’s twijfels over het weer op zijn plaats: de lijnen liggen nog altijd roerloos in het water, de beetverklikkers zwijgen in alle toonaarden. Toch vindt Henri het niet nodig om het aas te controleren. “Daarmee verstoor je de stek alleen maar, die boilies liggen daar prima. Het is gewoon een kwestie van geduld hebben.” Rond het middaguur krijgt Henri gelijk: ineens schalt er een serie piepjes over het water. Binnen vijf tellen staat hij met de betreffende hengel in zijn hand en stuurt-ie de ‘dader’ – een grote brasem – richting het landingsnet. Vlak voor de kant schiet de vis helaas los. “Nou ja, in ieder geval hebben we even wat actie gehad”, blijft Henri positief.
De ‘multirig’ heeft een lusje met daarin de haak, zodat je exact kunt bepalen hoeveel bewegingsvrijheid de haak heeft.
‘Werpen
richting hotspots zoals paaltjes, overhangende bomen en struiken is ietwat riskant – met een voerboot mik je altijd precies raak’
met zijn scooter plus viskar gaat henri op pad in amsterdam en omgeving
“Hemelsbreed gezien woon ik hooguit een kilometer hier vandaan”, zegt Henri als hij zijn imposante viskar heeft geparkeerd op een beschut grasveldje pal aan het water in de Bijlmer. Een geschrokken meerkoet schiet de rimpelloze vijver in, zo’n twintig meter achter ons laat een andere vroege vogel zijn hond uit. “Dit vijver- en slotenstelsel staat via een gemaal iets verderop in verbinding met de Weespertrekvaart, maar verder zit de vis hier min of meer opgesloten tot aan Diemen”, schetst Henri de situatie. “Karpervissers uit Amsterdam en omstreken komen hier graag, maar met name in de zomermaanden. Ik ben hier vooral ’s winters te vinden. Meestal is het dan lekker rustig, zoals nu.”
VASTE VOERPLEKJES
Henri verwijdert het zeil van zijn viskar, laadt een handvol emmers en bakjes uit en zet zijn ruime landingsnet in elkaar. Via een paadje door het groen loopt hij naar zijn stek, waar hij het net rechtop tegen een struik plaatst. Pal daarnaast komt zijn cradle (een soort onthaakmat op poten) te staan, bij de waterkant gaan twee paar hengelsteunen met elektronische beetverklikkers de grond in. “Zie je die rij met paaltjes, vlak voor de oever aan de overkant?”, vraagt hij zodra alles gereed staat. “Dat is een van de vaste plekjes in dit waterstelstel waar ik zo vanaf half oktober gedurende de hele winter twee keer per week boilies voer – vaak ’s avonds als ik een rondje door de wijk loop. Kleine beetjes, want in de winter vreten ze niet veel. Het gaat erom dat de karper leert dat er bijna altijd voedsel te vinden is en dat ze mijn boilies gaan vertrouwen.”
NYLON HOOFDLIJN
Ondertussen tuigt hij op zijn gemak de eerste hengel op. Onder de pakweg drie meter lange stok monteert hij een robuuste molen in het 6000-formaat. De spoel zit tot de rand vol met 38/00 nylon. “In het statische karpervissen zie je tegenwoordig ook veel gevlochten lijn, maar zeker op cultuurwater vind ik dat nergens voor nodig. Alleen wanneer je op grote afstand vist kan de gevoeligheid van dyneema meerwaarde hebben. Fluorocarbon als hoofdlijn raad ik sowieso ten zeerste af. Die lijnsoort is heel gevoelig voor algen en ander vuil in het water, waardoor er een soort aanslag ontstaat. Als gevolg hiervan gaat de doorzichtigheid van het fluorocarbon verloren, wat de karper afschrikt.”