onderzoek

MIGRATIEONDERZOEK SCHIERAAL OUDE IJSSEL

Hoe trekken schieralen op weg naar hun paaigebied door de Oude IJssel? En in hoeverre komen ze daarbij mogelijke knelpunten tegen? Om antwoord te krijgen op deze vragen zette de Sportvisunie dit jaar tientallen schieralen met zendertjes uit in de Duitse bovenlopen van de Oude IJssel.
TEKST: BARD BORGER > FOTOGRAFIE: ERWIN VAN HENSBERGEN

Bij het Ramsdiep zijn tientallen schieralen door gecertificeerde medewerkers van de Sportvisunie voorzien van een zender. Vervolgens zijn deze vissen dezelfde dag nog getransporteerd naar de Issel en de Aa Strang. Op deze twee uitzetlocaties – allebei Duitse bovenlopen van de Oude IJssel – hebben de schieralen eerst kort aan hun nieuwe omgeving kunnen wennen, voordat ze werden losgelaten. Vervolgens kunnen de onderzoekers van het project Swimway Oude IJssel de migratie van de vissen volgen aan de hand van ontvangers die de signalen van de zenders registreren.

De schieralen worden operatief voorzien van een zender in de buikholte

Het is eind augustus ’s ochtends vroeg al behoorlijk druk op de kade langs het Ramsdiep. Daar hebben medewerkers van de Sportvisunie, Waterschap Rijn en IJssel, en Landesfischerei-verband Westfalen und Lippe zich verzameld om tientallen schieralen te voorzien van een zender, waarna deze gezond en wel worden losgelaten in de Duitse bovenlopen van de Oude IJssel. Dit wordt gedaan in het kader van het project Swimway Oude IJssel, een internationaal vismigratieonderzoek naar vijf soorten (rivierprik, Europese meerval, winde, roofblei en schieraal). Doel van het project is het vergaren van extra kennis over vismigratie in deze rivier – met name over mogelijk knelpunten die vissen tegenkomen op weg naar hun paaigebied.

SCHIERAALINDEX
De schieraal neemt daarbij een bijzondere plek in, want dit is de enige van de vijf onderzochte soorten die voor het paairitueel stroomafwaarts trekt (van zoet naar zout). De schieralen die vandaag in de schijnwerpers staan zijn speciaal gevangen door een beroepsvisser; om precies te zijn in het stroomafwaartse deel van de IJssel. Vanuit een grote emmer gaan ze kort in een bak water met verdovingsmiddel, waarna onderzoekers elk exemplaar wegen en de lengte van de vis en de grootte van het oog en de borstvin meten. Aan de hand van deze cijfers bepalen ze de zogenaamde schieraalindex. Hoe hoger dit getal, hoe groter de kans dat de vis na de vrijlating aan zijn migratietocht naar de paaigronden begint.

>> SCHIERAAL: EEN LEVENSSTADIUM VAN DE PALING

Schieraal is de wetenschappelijke term voor een bepaalde levensfase van de paling. De levenscyclus van Anguilla anguilla begint in de Sargassozee (voor de kust van Midden-Amerika). Na daar uit het ei te zijn gekomen drijven de ‘palinglarven’ met de golfstroom mee richting de Europese en Afrikaanse kust. Gedurende deze reis van vijfduizend kilometer – die zo’n twee tot drie jaar duurt – transformeren de larven tot glasaal. In het Europese binnenwater, zoals de Oude IJssel, groeit de glasaal uit tot een paling (‘rode aal’) en krijgt hij een bruin- tot grijsachtige kleur. Na zo’n vijf tot twintig jaar in zoetwater – mannetjes in de regel korter dan de vrouwtjes – is de vis klaar voor de voortplanting en spreken we van schieraal. Dan heeft-ie een donkerdere rug, een lichtere buik en grotere ogen. Voor de voortplanting zwemt de schieraal weer helemaal terug naar de Sargassozee, waar de inmiddels volwassen geworden paling na het paaien sterft.

‘OPEREREN’ & ONTWAKEN
Na het wegen en meten wordt elke schieraal – nog steeds verdoofd, maar via een slangetje dat water langs de kieuwen laat stromen wel voorzien van zuurstof – met zorg en aandacht op de behandeltafel gelegd. Daar maakt een speciaal gecertificeerde medewerker van de Sportvisunie vervolgens een klein sneetje in de buikwand, precies op maat voor het zendertje dat in de buikholte gaat. Na het dichten van de wond met enkele hechtingen, gaat de schieraal in een bak water om bij te komen. Met wat zorg en hulp van een dompelpompje dat extra zuurstof naar de kieuwen stuurt, komt de vis al na een paar minuten weer bij.

UITZET IN BOVENLOPEN
Het uitzetten van de ‘gemerkte’ schieralen gebeurt nog diezelfde dag. In twee batches van negentien exemplaren gaan ze op twee locaties in Duitsland te water. Dat zijn de Issel en de Aa-strang, twee bovenlopen van de Oude IJssel in Duitsland. Bij aankomst op elke uitzetplek laten de onderzoekers eerst beetje bij beetje rivierwater in de transporttank lopen, zodat de schieralen aan hun nieuwe omgeving kunnen wennen. Na pakweg een kwartier zijn de dieren klaar voor de uitzet, waarna ze hopelijk snel aan hun lange reis naar de Sargassozee beginnen. Ondertussen zorgen ze hoe dan ook voor waardevolle data over de migratie van de aal op deze rivier.

TELEMETRISCH NETWERK
Voor het vergaren van die data hebben de Sportvisunie en de projectpartners een zogenaamd akoestisch telemetrisch netwerk aangelegd in de Oude IJssel en haar bovenlopen. Op strategische locaties verdeeld over de rivier – bijvoorbeeld boven- en benedenstrooms van stuwen en bij splitsingen – hangen ontvangers in het water die het specifieke zendersignaal van een gemerkte vis registreren en opslaan. Ook in de IJssel, het Ketelmeer en de Waddenzee hangen op meerdere plekken ontvangers die op deze manier passerende ‘gezenderde’ vissen registreren.

AKOESTISCHE TELEMETRIE

Dankzij ‘akoestische telemetrie’ (de interactie tussen ontvangers en zendertjes) kunnen onderzoekers tegenwoordig heel precies de migratie van vissen volgen. Deze ontvangers zitten met een staalkabel vast aan een anker van beton en worden rechtop gehouden met een drijver. De zendertjes voor het schieraalonderzoek van Swimway Oude IJssel zenden elke 40 tot 60 seconden een uniek signaal uit, waardoor de ontvangers precies kunnen registreren welke vis op welk tijdstip in de buurt is. Blijft een vis nabij de ontvanger, dan ‘noteert’ de ontvanger heel veel registraties. De tijd tussen registraties van meerdere ontvangers laat zien hoe lang een vis nodig heeft om van de ene ontvanger naar de andere te zwemmen.

78 SCHIERALEN
Het onderzoek naar schieraal heeft een looptijd van twee jaar en duurt tot eind 2026. In die periode wordt van maar liefst 78 schieralen data verzameld. De uitkomsten van het onderzoek worden vertaald in een adviesrapport dat wordt aangeboden aan de waterbeheerder. Daarin staan aanbevelingen voor mogelijke aanpassingen aan het watersysteem om de migratiemogelijkheden voor de aanwezige vis te verbeteren. Dat van de eerste veertig uitgezette schieralen in 2024 maar liefst 31 dieren stroomafwaarts bleken te zijn gezwommen, stemt alvast hoopvol voor de nieuwe lichting.

HINDERNISSEN
Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om te achterhalen of een vis na te zijn uitgezet stroomafwaarts is gezwommen – en zo ja, tot waar en hoe lang hij daar over doet. Aan de hand van dit soort gegevens is in te schatten of schieraal in de Oude IJssel wordt gehinderd door stuwen, sluizen en dammen. Daarbij is het de veronderstelling dat de schieraal zich over een stuw of dam laat vallen, om daarna zijn weg te vervolgen. Alle data samen geven de Sportvisunie beter zicht op de algehele ‘kwaliteit’ van de schieraalmigratie in de rivier. Door slim gebruik te maken van data zoals watertemperatuur, stroomsnelheid en waterstand wordt ook onderzocht wat de invloed van dit soort factoren is op het migratiegedrag van schieraal.

Hoe trekken schieralen op weg naar hun paaigebied door de Oude IJssel? En in hoeverre komen ze daarbij mogelijke knelpunten tegen? Om antwoord te krijgen op deze vragen zette de Sportvisunie dit jaar tientallen schieralen met zendertjes uit in de Duitse bovenlopen van de Oude IJssel.
TEKST: BARD BORGER > FOTOGRAFIE: ERWIN VAN HENSBERGEN

MIGRATIEONDERZOEK SCHIERAAL OUDE IJSSEL

onderzoek

Bij het Ramsdiep zijn tientallen schieralen door gecertificeerde medewerkers van de Sportvisunie voorzien van een zender. Vervolgens zijn deze vissen dezelfde dag nog getransporteerd naar de Issel en de Aa Strang. Op deze twee uitzetlocaties – allebei Duitse bovenlopen van de Oude IJssel – hebben de schieralen eerst kort aan hun nieuwe omgeving kunnen wennen, voordat ze werden losgelaten. Vervolgens kunnen de onderzoekers van het project Swimway Oude IJssel de migratie van de vissen volgen aan de hand van ontvangers die de signalen van de zenders registreren.

Het is eind augustus ’s ochtends vroeg al behoorlijk druk op de kade langs het Ramsdiep. Daar hebben medewerkers van de Sportvisunie, Waterschap Rijn en IJssel, en Landesfischerei-verband Westfalen und Lippe zich verzameld om tientallen schieralen te voorzien van een zender, waarna deze gezond en wel worden losgelaten in de Duitse bovenlopen van de Oude IJssel. Dit wordt gedaan in het kader van het project Swimway Oude IJssel, een internationaal vismigratieonderzoek naar vijf soorten (rivierprik, Europese meerval, winde, roofblei en schieraal). Doel van het project is het vergaren van extra kennis over vismigratie in deze rivier – met name over mogelijk knelpunten die vissen tegenkomen op weg naar hun paaigebied.

SCHIERAALINDEX
De schieraal neemt daarbij een bijzondere plek in, want dit is de enige van de vijf onderzochte soorten die voor het paairitueel stroomafwaarts trekt (van zoet naar zout). De schieralen die vandaag in de schijnwerpers staan zijn speciaal gevangen door een beroepsvisser; om precies te zijn in het stroomafwaartse deel van de IJssel. Vanuit een grote emmer gaan ze kort in een bak water met verdovingsmiddel, waarna onderzoekers elk exemplaar wegen en de lengte van de vis en de grootte van het oog en de borstvin meten. Aan de hand van deze cijfers bepalen ze de zogenaamde schieraalindex. Hoe hoger dit getal, hoe groter de kans dat de vis na de vrijlating aan zijn migratietocht naar de paaigronden begint.

De schieralen worden operatief voorzien van een zender in de buikholte

beeld: shutterstock

Schieraal is de wetenschappelijke term voor een bepaalde levensfase van de paling. De levenscyclus van Anguilla anguilla begint in de Sargassozee (voor de kust van Midden-Amerika). Na daar uit het ei te zijn gekomen drijven de ‘palinglarven’ met de golfstroom mee richting de Europese en Afrikaanse kust. Gedurende deze reis van vijfduizend kilometer – die zo’n twee tot drie jaar duurt – transformeren de larven tot glasaal. In het Europese binnenwater, zoals de Oude IJssel, groeit de glasaal uit tot een paling (‘rode aal’) en krijgt hij een bruin- tot grijsachtige kleur. Na zo’n vijf tot twintig jaar in zoetwater – mannetjes in de regel korter dan de vrouwtjes – is de vis klaar voor de voortplanting en spreken we van schieraal. Dan heeft-ie een donkerdere rug, een lichtere buik en grotere ogen. Voor de voortplanting zwemt de schieraal weer helemaal terug naar de Sargassozee, waar de inmiddels volwassen geworden paling na het paaien sterft.

>> SCHIERAAL: EEN LEVENSSTADIUM VAN DE PALING

‘OPEREREN’ & ONTWAKEN
Na het wegen en meten wordt elke schieraal – nog steeds verdoofd, maar via een slangetje dat water langs de kieuwen laat stromen wel voorzien van zuurstof – met zorg en aandacht op de behandeltafel gelegd. Daar maakt een speciaal gecertificeerde medewerker van de Sportvisunie vervolgens een klein sneetje in de buikwand, precies op maat voor het zendertje dat in de buikholte gaat. Na het dichten van de wond met enkele hechtingen, gaat de schieraal in een bak water om bij te komen. Met wat zorg en hulp van een dompelpompje dat extra zuurstof naar de kieuwen stuurt, komt de vis al na een paar minuten weer bij.

UITZET IN BOVENLOPEN
Het uitzetten van de ‘gemerkte’ schieralen gebeurt nog diezelfde dag. In twee batches van negentien exemplaren gaan ze op twee locaties in Duitsland te water. Dat zijn de Issel en de Aa-strang, twee bovenlopen van de Oude IJssel in Duitsland. Bij aankomst op elke uitzetplek laten de onderzoekers eerst beetje bij beetje rivierwater in de transporttank lopen, zodat de schieralen aan hun nieuwe omgeving kunnen wennen. Na pakweg een kwartier zijn de dieren klaar voor de uitzet, waarna ze hopelijk snel aan hun lange reis naar de Sargassozee beginnen. Ondertussen zorgen ze hoe dan ook voor waardevolle data over de migratie van de aal op deze rivier.

TELEMETRISCH NETWERK
Voor het vergaren van die data hebben de Sportvisunie en de projectpartners een zogenaamd akoestisch telemetrisch netwerk aangelegd in de Oude IJssel en haar bovenlopen. Op strategische locaties verdeeld over de rivier – bijvoorbeeld boven- en benedenstrooms van stuwen en bij splitsingen – hangen ontvangers in het water die het specifieke zendersignaal van een gemerkte vis registreren en opslaan. Ook in de IJssel, het Ketelmeer en de Waddenzee hangen op meerdere plekken ontvangers die op deze manier passerende ‘gezenderde’ vissen registreren.

Dankzij ‘akoestische telemetrie’ (de interactie tussen ontvangers en zendertjes) kunnen onderzoekers tegenwoordig heel precies de migratie van vissen volgen. Deze ontvangers zitten met een staalkabel vast aan een anker van beton en worden rechtop gehouden met een drijver. De zendertjes voor het schieraalonderzoek van Swimway Oude IJssel zenden elke 40 tot 60 seconden een uniek signaal uit, waardoor de ontvangers precies kunnen registreren welke vis op welk tijdstip in de buurt is. Blijft een vis nabij de ontvanger, dan ‘noteert’ de ontvanger heel veel registraties. De tijd tussen registraties van meerdere ontvangers laat zien hoe lang een vis nodig heeft om van de ene ontvanger naar de andere te zwemmen.

AKOESTISCHE TELEMETRIE

HINDERNISSEN
Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om te achterhalen of een vis na te zijn uitgezet stroomafwaarts is gezwommen – en zo ja, tot waar en hoe lang hij daar over doet. Aan de hand van dit soort gegevens is in te schatten of schieraal in de Oude IJssel wordt gehinderd door stuwen, sluizen en dammen. Daarbij is het de veronderstelling dat de schieraal zich over een stuw of dam laat vallen, om daarna zijn weg te vervolgen. Alle data samen geven de Sportvisunie beter zicht op de algehele ‘kwaliteit’ van de schieraalmigratie in de rivier. Door slim gebruik te maken van data zoals watertemperatuur, stroomsnelheid en waterstand wordt ook onderzocht wat de invloed van dit soort factoren is op het migratiegedrag van schieraal.

78 SCHIERALEN
Het onderzoek naar schieraal heeft een looptijd van twee jaar en duurt tot eind 2026. In die periode wordt van maar liefst 78 schieralen data verzameld. De uitkomsten van het onderzoek worden vertaald in een adviesrapport dat wordt aangeboden aan de waterbeheerder. Daarin staan aanbevelingen voor mogelijke aanpassingen aan het watersysteem om de migratiemogelijkheden voor de aanwezige vis te verbeteren. Dat van de eerste veertig uitgezette schieralen in 2024 maar liefst 31 dieren stroomafwaarts bleken te zijn gezwommen, stemt alvast hoopvol voor de nieuwe lichting.

Sportvisserij Nederland

Hét VISblad online magazine
Volledig scherm