JAN EGGERS:
EEN LEVEN GEWIJD AAN SNOEK
TEKST: BARD BORGER > BEELD: JAN EGGERS
Hengelsportjournalist, visgids, adviseur en field tester: Jan Eggers (82) legde in tal van rollen de basis voor het (polder)snoeken van deze tijd. Hoe kijkt de geboren en getogen Noord-Hollander – ook wel bekend als ‘The Pike Ferret’ – terug op zijn vissende leven? Hét VISblad ging bij hem op bezoek en tekende zijn meest dierbare herinneringen op.
Jan Eggers
was als auteur en redacteur betrokken bij hengelsportmagazines in zowel binnen- als buitenland
‘bij de vangst van mijn eerste snoek deed ik als gevolg van de spanning bijna alles verkeerd’
‘Als ik
eenmaal lucht kreeg van een fraai snoekwater of een recordvangst, dan beet ik me daar vervolgens volledig in vast’
Voor Amerikaanse hengelsportmerken verzorgde Eggers de marketing en promotie in Europa.
Foto’s uit het archief van Jan Eggers.
AANGEBODEN:
VINTAGE VISBOEKEN
Jan Eggers heeft gedurende zijn leven een enorme collectie aan visboeken opgebouwd, waarvan driehonderd over snoek. Die doet hij nu weg voor een bescheiden prijs. Heb jij interesse? Mail hem dan op the.pike.ferret@hetnet.nl.
SNOEKSTUDIEGROEP
Eggers had inmiddels ook volop contacten bij ‘snoekstudiegroepen’ in Engeland en de Verenigde Staten. “Een vereniging die zich zou inzetten voor alles wat goed is voor de snoek en de snoekvisser – waaronder het promoten van catch & release – leek me voor Nederland en België ook een goed idee. En ik bleek niet de enige: bij de oprichtingsvergadering van de Snoekstudiegroep Nederland-België (SNB) op 14 maart 1984 kwamen maar liefst tweehonderd mensen opdagen. Ik werd als eerste voorzitter gekozen en mijn vriend Bertus Rozemeijer als secretaris, naast een paar andere bestuursleden. Nadat we de dag erna bij de notaris de oprichting officieel hadden gemaakt, ben ik vijftien jaar aaneengesloten voorzitter geweest. Toen vond ik het mooi geweest. De vereniging richt zich inmiddels op álle roofvis(sers) onder de naam Vereniging Nederlandse Roofvissers.”
SNOEKVRIEND JAN SCHREINER
Als freelance redacteur voor hengelsportbladen kreeg Eggers veel artikelen van collega-snoekvissers onder ogen. Het redigeren daarvan kostte hem nogal wat tijd, maar de teksten van Jan Schreiner vond hij geweldig. “Niemand kon zo mooi de beleving van het sportvissen beschrijven als Jan. Ik verslond zijn boeken. Jan preekte naar mijn smaak wel iets teveel voor eigen parochie. Het ging altijd en alleen maar over zijn visserij op veenpoldersnoek met ultralicht materiaal. Toen ik hem eens uitnodigde om bij mij te komen vissen, keek hij met een smerig gezicht naar het water. ‘Net de kleur van bedorven koffie’, mopperde hij. Het werd die dag 10-0 voor mij. Later kregen we leuke discussies over onze verschillende aanpak bij het snoeken, waardoor we veel van elkaar leerden. Ik zie Jan nog steeds als de belangrijkste nationale promotor van kunstaasvissen, catch & release en de sportvisserij in het algemeen.”
GIDSWERK
Als internationaal bekend (polder)snoekspecialist werd Eggers ook steeds vaker gevraagd als visgids. Ter promotie van sportvispark De Vlietlanden bij Medemblik nam hij twee weekenden lang een groep van zo’n dertig buitenlandse snoekvissers – vooral Belgen en Duitsers – onder zijn hoede. “Dat was drie dagen gidsen en op donderdagavond gaf ik vaak nog een diashow. Met als strekking: overal zit vis, je moet alleen op de juiste manier en met het juiste kunstaas vissen. Ik onderstreepte ook altijd dat álle gevangen snoek moest worden teruggezet. Elk van die twee weekenden vingen de ‘gasten’ zo’n tweehonderd snoeken, waaronder minstens één metervis. Hierna heb ik ook jarenlang zelfstandig sportvistoeristen en redacteuren van Engelse, Duitse en Franse bladen gegidst. Sportvistoerisme was destijds een nieuw fenomeen. Inmiddels weten sportvissers van over de hele wereld Nederland te vinden.”
VISPLEZIER OVERBRENGEN
Eggers had altijd speciale aandacht voor vissende jeugd. Bij tal van verenigingen nam hij als bestuurder de jeugdbegeleiding op zich, waaronder bij de lokale hengelsportvereniging en de toenmalige federatie De Noordkop. Ook bij de voormalige SNB riep hij een aparte jeugdafdeling in het leven, die nog altijd bestaat. Eggers: “Het overbrengen van visplezier aan de jeugd gaf me altijd extra energie, naast mijn commerciële werk in de sportvisserij. Mijn overtuiging was én is dat je kids zo snel mogelijk moet leren om vis te vangen, anders haken ze af. Daar wilde ik bij helpen. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor het aanleren van goed gedrag, zoals het hanteren van snoek en catch & release. Het jeugdwerk heb ik dan ook altijd pro deo gedaan.”
BELANG NATUURBELEVING
Hoe is de hengelsport volgens Eggers veranderd in de afgelopen pakweg zeventig jaar? “Er is veel meer aandacht voor natuurbeleving dan vroeger”, antwoordt hij stellig. “Sportvissen is veel breder erkend als een vorm van mentale ontspanning die goed is voor mens en maatschappij. Omdat de materialen, technieken en tactieken – het denken als een vis – drastisch zijn verbeterd, vist de doorsnee sportvisser nu ook veel effectiever dan in mijn tijd. Ik ben blij dat catch & release gemeengoed is geworden en dat vissenwelzijn is verankerd in vergunningen en regels. Ook de ingevoerde meeneemlimieten voor vis zijn een verrijking voor de sport. Het is jammer dat er nog maar weinig helder polderwater met grote ruisvoorn is, maar water verandert nu eenmaal. En zoals ik Jan Schreiner destijds al duidelijk maakte: snoek zwemt bijna overal.”
ALLEREERSTE SNOEK
“Het was een van de grotere vissen die je kon vangen”, antwoordt Eggers op de vraag waarom de snoek hem als jochie greep. “De dril was ook veel spectaculairder vergeleken met witvis. Ook het aanslaan ging anders: bij een aanbeet moest je wachten in plaats van direct reageren. Ik vond het magisch. Bij de vangst van mijn allereerste exemplaar deed ik door de spanning bijna alles verkeerd. Toen de dobber onder ging sloeg ik direct aan, waarop de snoek door de lucht vloog en onthaakt en wel achter me in het gras belandde. Trots als een pauw fietste ik later met die vis aan m’n stuur naar huis. De bamboehengel waarmee ik deze snoek ving, had ik gekocht bij een klein hengelsportzaakje in het dorp. Het was een dure aanschaf die ik me kon permitteren dankzij mijn aasvisjes-handel.”
VAN VEEN NAAR KLEI
Eindeloos struinend door de Noord-Hollandse polder raakte Eggers smoorverliefd op de snoek. “Soms leende ik van iemand een boot in ruil voor een gevangen snoek, maar meestal sprong ik op de fiets en legde ik te voet tientallen kilometers per dag af. Op mijn 27everhuisde ik naar Bovenkarspel voor een nieuwe baan – bij Draka Polva in Enkhuizen – waar ik aan de slag ging als chef afdeling grondstoffen. Tot dat moment had ik nog nooit een metersnoek gevangen. Het zure water in de veenpolders waar ik tot dan toe viste, is relatief voedselarm en dus niet zo visrijk. In de kleipolders rond mijn nieuwe woonplaats, met voedselrijker water, ontdekte ik dat alle vis een slag groter was. Al snel begon ik daar mijn eerste metersnoeken te vangen. Dat was natuurlijk een geweldige impuls voor mijn hobby.”
‘THE PIKE FERRET’
Eenmaal in de ban van grote snoek begon Eggers nog meer over ‘zijn’ vis te lezen, schrijven én vistrips te maken. Daarbij beperkte hij zich al lang niet meer alleen tot Nederland, maar keek hij ook steeds vaker over de grens – tot aan Canada en de VS aan toe. “Als ik eenmaal lucht kreeg van een fraai snoekwater of een recordvangst, beet ik me daar volledig in vast”, legt hij uit. “Vaak stuurde ik dan een brief naar de hoofdredacteur van een blad uit dat land om meer informatie op te vragen. Zo kreeg ik de alias The Pike Ferret. Dit was een knipoog naar de fret, het roofdier dat zich daadwerkelijk vastbijt in zijn prooi. Toen de Britse snoeklegende en auteur Fred Buller zijn boek Domesday Book Mammoth Pike aan mij opdroeg, groeide mijn naam in de internationale snoek-scene ineens heel erg snel. Het aanbod om een hengelsportzaak over te nemen, sloeg ik echter af vanwege mijn vrouw en drie kinderen.”
HENGELSPORTCARRIÈRE
Werken voor hengelsportbladen en -merken zag Eggers wél zitten; en schrijven sowieso: op de basisschool maakte hij al opstellen over vissen. “Toen de hoofdredacteur van In-Fisherman (een bekend Amerikaans magazine, red.) me vroeg om Europees adviseur grote snoek te worden, was de keuze dus snel gemaakt. In 1984 gaf ik mijn eerste lezing bij een groot symposium in Wisconsin. Toen ik daar een praatje maakte bij de stands van grote merken zoals Berkley en Mepps, hoorde ik dat ze in Europa slecht verkochten door de andere tradities en manieren van vissen hier. Denk aan soepelere hengels en kunstaas speciaal voor polderwater – want dat watertype kennen ze daar niet. Met die ‘vertaalslag’ kon ik ze natuurlijk goed helpen. Al snel verzorgde ik als freelancer de marketing en promotie in Europa voor zes grote firma’s. Het was geweldig werk én lucratief. Begin 1985 zegde ik mijn baan op en schreef ik me in bij de Kamer van Koophandel.”
“Ideaal, toch? Je loopt hier zo de polder in en daar bij die aanlegsteiger lag jarenlang mijn visboot”, zegt Jan Eggers terwijl hij vanuit zijn huiskamer uitkijkt over de tuin en daaraan grenzende sloot aan de rand van Bovenkarspel. “Mijn vrouw en ik wonen hier al sinds 1992. In de tussenliggende 33 jaar heb ik heel wat snoeken gevangen – waaronder 1.040 metervissen – en zijn er heel veel zaken veranderd in de sportvisserij. Vissen kan ik al jaren niet meer als gevolg van Parkinson aan mijn linkerarm, maar zoals je merkt praat ik er nog wel graag over. Zullen we bij het begin beginnen?”
JONGE BAARSKAMPIOEN
Eggers vertelt dat het sportvissen voor hem begon met het vangen van ruisvoorn en zeelt in de Eilandspolder. “Niemand in mijn familie viste, maar ik schreef me al op m’n achtste in bij HSV De Hengelaar uit mijn geboortedorp De Rijp – waar ik nog altijd lid van ben. Die vereniging organiseerde destijds zes keer per jaar een wedstrijd baarspeuteren, een typisch Noord-Hollandse visserij. Toen ik eindelijk vijftien was en ook mocht meedoen, greep ik mijn kans en werd ik meteen twee jaar op rij kampioen. Die bekers heb ik nog steeds. Voor het snoeken moest je toen nog een aparte vergunning kopen bij lokale beroepsvissers. Het seizoen voor snoek liep van 1 september tot 1 januari. Meer tijd had je als snoekvisser simpelweg niet.”
AASVISJES VERKOPEN
Met zijn neusje voor handel ontdekte Eggers al snel dat zijn hobby ook geld in het laatje kon brengen. “In cafés in het dorp kon ik mijn voorntjes verkopen aan snoekvissers”, legt hij uit. “Aan de locals vroeg ik vijf cent per visje, aan Amsterdammers kon ik tien cent vragen – die waren toch al hogere prijzen gewend. Doordat ik mijn klanten regelmatig de polder in volgde, raakte ik bekend met het poldersnoeken uit de jaren ’50. Dat was andere koek dan tegenwoordig: iedereen viste met zware bamboehengels en dik nylon met daaraan een stalen onderlijntje en een aasvis. Kunstaas bestond immers nog niet. Snoeken werd ook niet echt beleefd als sport. Élke snoek die aan de maat was, ging mee naar huis voor consumptie.”
“Ideaal, toch? Je loopt hier zo de polder in en daar bij die aanlegsteiger lag jarenlang mijn visboot”, zegt Jan Eggers terwijl hij vanuit zijn huiskamer uitkijkt over de tuin en daaraan grenzende sloot aan de rand van Bovenkarspel. “Mijn vrouw en ik wonen hier al sinds 1992. In de tussenliggende 33 jaar heb ik heel wat snoeken gevangen – waaronder 1.040 metervissen – en zijn er heel veel zaken veranderd in de sportvisserij. Vissen kan ik al jaren niet meer als gevolg van Parkinson aan mijn linkerarm, maar zoals je merkt praat ik er nog wel graag over. Zullen we bij het begin beginnen?”
JONGE BAARSKAMPIOEN
Eggers vertelt dat het sportvissen voor hem begon met het vangen van ruisvoorn en zeelt in de Eilandspolder. “Niemand in mijn familie viste, maar ik schreef me al op m’n achtste in bij HSV De Hengelaar uit mijn geboortedorp De Rijp – waar ik nog altijd lid van ben. Die vereniging organiseerde destijds zes keer per jaar een wedstrijd baarspeuteren, een typisch Noord-Hollandse visserij. Toen ik eindelijk vijftien was en ook mocht meedoen, greep ik mijn kans en werd ik meteen twee jaar op rij kampioen. Die bekers heb ik nog steeds. Voor het snoeken moest je toen nog een aparte vergunning kopen bij lokale beroepsvissers. Het seizoen voor snoek liep van 1 september tot 1 januari. Meer tijd had je als snoekvisser simpelweg niet.”
AASVISJES VERKOPEN
Met zijn neusje voor handel ontdekte Eggers al snel dat zijn hobby ook geld in het laatje kon brengen. “In cafés in het dorp kon ik mijn voorntjes verkopen aan snoekvissers”, legt hij uit. “Aan de locals vroeg ik vijf cent per visje, aan Amsterdammers kon ik tien cent vragen – die waren toch al hogere prijzen gewend. Doordat ik mijn klanten regelmatig de polder in volgde, raakte ik bekend met het poldersnoeken uit de jaren ’50. Dat was andere koek dan tegenwoordig: iedereen viste met zware bamboehengels en dik nylon met daaraan een stalen onderlijntje en een aasvis. Kunstaas bestond immers nog niet. Snoeken werd ook niet echt beleefd als sport. Élke snoek die aan de maat was, ging mee naar huis voor consumptie.”
JAN EGGERS:
EEN LEVEN GEWIJD AAN SNOEK
AANGEBODEN:
VINTAGE VISBOEKEN
Jan Eggers heeft gedurende zijn leven een enorme collectie aan visboeken opgebouwd, waarvan driehonderd over snoek. Die doet hij nu weg voor een bescheiden prijs. Heb jij interesse? Mail hem dan op the.pike.ferret@hetnet.nl.
SNOEKSTUDIEGROEP
Eggers had inmiddels ook volop contacten bij ‘snoekstudiegroepen’ in Engeland en de Verenigde Staten. “Een vereniging die zich zou inzetten voor alles wat goed is voor de snoek en de snoekvisser – waaronder het promoten van catch & release – leek me voor Nederland en België ook een goed idee. En ik bleek niet de enige: bij de oprichtingsvergadering van de Snoekstudiegroep Nederland-België (SNB) op 14 maart 1984 kwamen maar liefst tweehonderd mensen opdagen. Ik werd als eerste voorzitter gekozen en mijn vriend Bertus Rozemeijer als secretaris, naast een paar andere bestuursleden. Nadat we de dag erna bij de notaris de oprichting officieel hadden gemaakt, ben ik vijftien jaar aaneengesloten voorzitter geweest. Toen vond ik het mooi geweest. De vereniging richt zich inmiddels op álle roofvis(sers) onder de naam Vereniging Nederlandse Roofvissers.”
SNOEKVRIEND JAN SCHREINER
Als freelance redacteur voor hengelsportbladen kreeg Eggers veel artikelen van collega-snoekvissers onder ogen. Het redigeren daarvan kostte hem nogal wat tijd, maar de teksten van Jan Schreiner vond hij geweldig. “Niemand kon zo mooi de beleving van het sportvissen beschrijven als Jan. Ik verslond zijn boeken. Jan preekte naar mijn smaak wel iets teveel voor eigen parochie. Het ging altijd en alleen maar over zijn visserij op veenpoldersnoek met ultralicht materiaal. Toen ik hem eens uitnodigde om bij mij te komen vissen, keek hij met een smerig gezicht naar het water. ‘Net de kleur van bedorven koffie’, mopperde hij. Het werd die dag 10-0 voor mij. Later kregen we leuke discussies over onze verschillende aanpak bij het snoeken, waardoor we veel van elkaar leerden. Ik zie Jan nog steeds als de belangrijkste nationale promotor van kunstaasvissen, catch & release en de sportvisserij in het algemeen.”
GIDSWERK
Als internationaal bekend (polder)snoekspecialist werd Eggers ook steeds vaker gevraagd als visgids. Ter promotie van sportvispark De Vlietlanden bij Medemblik nam hij twee weekenden lang een groep van zo’n dertig buitenlandse snoekvissers – vooral Belgen en Duitsers – onder zijn hoede. “Dat was drie dagen gidsen en op donderdagavond gaf ik vaak nog een diashow. Met als strekking: overal zit vis, je moet alleen op de juiste manier en met het juiste kunstaas vissen. Ik onderstreepte ook altijd dat álle gevangen snoek moest worden teruggezet. Elk van die twee weekenden vingen de ‘gasten’ zo’n tweehonderd snoeken, waaronder minstens één metervis. Hierna heb ik ook jarenlang zelfstandig sportvistoeristen en redacteuren van Engelse, Duitse en Franse bladen gegidst. Sportvistoerisme was destijds een nieuw fenomeen. Inmiddels weten sportvissers van over de hele wereld Nederland te vinden.”
VISPLEZIER OVERBRENGEN
Eggers had altijd speciale aandacht voor vissende jeugd. Bij tal van verenigingen nam hij als bestuurder de jeugdbegeleiding op zich, waaronder bij de lokale hengelsportvereniging en de toenmalige federatie De Noordkop. Ook bij de voormalige SNB riep hij een aparte jeugdafdeling in het leven, die nog altijd bestaat. Eggers: “Het overbrengen van visplezier aan de jeugd gaf me altijd extra energie, naast mijn commerciële werk in de sportvisserij. Mijn overtuiging was én is dat je kids zo snel mogelijk moet leren om vis te vangen, anders haken ze af. Daar wilde ik bij helpen. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor het aanleren van goed gedrag, zoals het hanteren van snoek en catch & release. Het jeugdwerk heb ik dan ook altijd pro deo gedaan.”
BELANG NATUURBELEVING
Hoe is de hengelsport volgens Eggers veranderd in de afgelopen pakweg zeventig jaar? “Er is veel meer aandacht voor natuurbeleving dan vroeger”, antwoordt hij stellig. “Sportvissen is veel breder erkend als een vorm van mentale ontspanning die goed is voor mens en maatschappij. Omdat de materialen, technieken en tactieken – het denken als een vis – drastisch zijn verbeterd, vist de doorsnee sportvisser nu ook veel effectiever dan in mijn tijd. Ik ben blij dat catch & release gemeengoed is geworden en dat vissenwelzijn is verankerd in vergunningen en regels. Ook de ingevoerde meeneemlimieten voor vis zijn een verrijking voor de sport. Het is jammer dat er nog maar weinig helder polderwater met grote ruisvoorn is, maar water verandert nu eenmaal. En zoals ik Jan Schreiner destijds al duidelijk maakte: snoek zwemt bijna overal.”
Voor Amerikaanse hengelsportmerken verzorgde Eggers de marketing en promotie in Europa.
Jan Eggers
was als auteur en redacteur betrokken bij hengelsportmagazines in zowel binnen- als buitenland
ALLEREERSTE SNOEK
“Het was een van de grotere vissen die je kon vangen”, antwoordt Eggers op de vraag waarom de snoek hem als jochie greep. “De dril was ook veel spectaculairder vergeleken met witvis. Ook het aanslaan ging anders: bij een aanbeet moest je wachten in plaats van direct reageren. Ik vond het magisch. Bij de vangst van mijn allereerste exemplaar deed ik door de spanning bijna alles verkeerd. Toen de dobber onder ging sloeg ik direct aan, waarop de snoek door de lucht vloog en onthaakt en wel achter me in het gras belandde. Trots als een pauw fietste ik later met die vis aan m’n stuur naar huis. De bamboehengel waarmee ik deze snoek ving, had ik gekocht bij een klein hengelsportzaakje in het dorp. Het was een dure aanschaf die ik me kon permitteren dankzij mijn aasvisjes-handel.”
VAN VEEN NAAR KLEI
Eindeloos struinend door de Noord-Hollandse polder raakte Eggers smoorverliefd op de snoek. “Soms leende ik van iemand een boot in ruil voor een gevangen snoek, maar meestal sprong ik op de fiets en legde ik te voet tientallen kilometers per dag af. Op mijn 27everhuisde ik naar Bovenkarspel voor een nieuwe baan – bij Draka Polva in Enkhuizen – waar ik aan de slag ging als chef afdeling grondstoffen. Tot dat moment had ik nog nooit een metersnoek gevangen. Het zure water in de veenpolders waar ik tot dan toe viste, is relatief voedselarm en dus niet zo visrijk. In de kleipolders rond mijn nieuwe woonplaats, met voedselrijker water, ontdekte ik dat alle vis een slag groter was. Al snel begon ik daar mijn eerste metersnoeken te vangen. Dat was natuurlijk een geweldige impuls voor mijn hobby.”
‘THE PIKE FERRET’
Eenmaal in de ban van grote snoek begon Eggers nog meer over ‘zijn’ vis te lezen, schrijven én vistrips te maken. Daarbij beperkte hij zich al lang niet meer alleen tot Nederland, maar keek hij ook steeds vaker over de grens – tot aan Canada en de VS aan toe. “Als ik eenmaal lucht kreeg van een fraai snoekwater of een recordvangst, beet ik me daar volledig in vast”, legt hij uit. “Vaak stuurde ik dan een brief naar de hoofdredacteur van een blad uit dat land om meer informatie op te vragen. Zo kreeg ik de alias The Pike Ferret. Dit was een knipoog naar de fret, het roofdier dat zich daadwerkelijk vastbijt in zijn prooi. Toen de Britse snoeklegende en auteur Fred Buller zijn boek Domesday Book Mammoth Pike aan mij opdroeg, groeide mijn naam in de internationale snoek-scene ineens heel erg snel. Het aanbod om een hengelsportzaak over te nemen, sloeg ik echter af vanwege mijn vrouw en drie kinderen.”
HENGELSPORTCARRIÈRE
Werken voor hengelsportbladen en -merken zag Eggers wél zitten; en schrijven sowieso: op de basisschool maakte hij al opstellen over vissen. “Toen de hoofdredacteur van In-Fisherman (een bekend Amerikaans magazine, red.) me vroeg om Europees adviseur grote snoek te worden, was de keuze dus snel gemaakt. In 1984 gaf ik mijn eerste lezing bij een groot symposium in Wisconsin. Toen ik daar een praatje maakte bij de stands van grote merken zoals Berkley en Mepps, hoorde ik dat ze in Europa slecht verkochten door de andere tradities en manieren van vissen hier. Denk aan soepelere hengels en kunstaas speciaal voor polderwater – want dat watertype kennen ze daar niet. Met die ‘vertaalslag’ kon ik ze natuurlijk goed helpen. Al snel verzorgde ik als freelancer de marketing en promotie in Europa voor zes grote firma’s. Het was geweldig werk én lucratief. Begin 1985 zegde ik mijn baan op en schreef ik me in bij de Kamer van Koophandel.”
‘bij de vangst van mijn eerste snoek deed ik als gevolg van de spanning bijna alles verkeerd’
Foto’s uit het archief van Jan Eggers.
‘Als ik
eenmaal lucht kreeg van een fraai snoekwater of een recordvangst, dan beet ik me daar vervolgens volledig in vast’
“Ideaal, toch? Je loopt hier zo de polder in en daar bij die aanlegsteiger lag jarenlang mijn visboot”, zegt Jan Eggers terwijl hij vanuit zijn huiskamer uitkijkt over de tuin en daaraan grenzende sloot aan de rand van Bovenkarspel. “Mijn vrouw en ik wonen hier al sinds 1992. In de tussenliggende 33 jaar heb ik heel wat snoeken gevangen – waaronder 1.040 metervissen – en zijn er heel veel zaken veranderd in de sportvisserij. Vissen kan ik al jaren niet meer als gevolg van Parkinson aan mijn linkerarm, maar zoals je merkt praat ik er nog wel graag over. Zullen we bij het begin beginnen?”
JONGE BAARSKAMPIOEN
Eggers vertelt dat het sportvissen voor hem begon met het vangen van ruisvoorn en zeelt in de Eilandspolder. “Niemand in mijn familie viste, maar ik schreef me al op m’n achtste in bij HSV De Hengelaar uit mijn geboortedorp De Rijp – waar ik nog altijd lid van ben. Die vereniging organiseerde destijds zes keer per jaar een wedstrijd baarspeuteren, een typisch Noord-Hollandse visserij. Toen ik eindelijk vijftien was en ook mocht meedoen, greep ik mijn kans en werd ik meteen twee jaar op rij kampioen. Die bekers heb ik nog steeds. Voor het snoeken moest je toen nog een aparte vergunning kopen bij lokale beroepsvissers. Het seizoen voor snoek liep van 1 september tot 1 januari. Meer tijd had je als snoekvisser simpelweg niet.”
AASVISJES VERKOPEN
Met zijn neusje voor handel ontdekte Eggers al snel dat zijn hobby ook geld in het laatje kon brengen. “In cafés in het dorp kon ik mijn voorntjes verkopen aan snoekvissers”, legt hij uit. “Aan de locals vroeg ik vijf cent per visje, aan Amsterdammers kon ik tien cent vragen – die waren toch al hogere prijzen gewend. Doordat ik mijn klanten regelmatig de polder in volgde, raakte ik bekend met het poldersnoeken uit de jaren ’50. Dat was andere koek dan tegenwoordig: iedereen viste met zware bamboehengels en dik nylon met daaraan een stalen onderlijntje en een aasvis. Kunstaas bestond immers nog niet. Snoeken werd ook niet echt beleefd als sport. Élke snoek die aan de maat was, ging mee naar huis voor consumptie.”