In Spraakwater spreekt iemand – van BN’ers tot politici en van sportvissers tot wetenschappers – zich uit over thema’s rond vis en sportvisserij. Deze maand is dat Rémon ter Harmsel van Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).

SLIMMER
SLOOTBEHEER

spraakwater

VANUIT EEN NIEUWE ROL 

AANGESCHERPT SLOOTSCHONEN

Ook in de Randstad – inclusief het Groene Hart – stond het maaien en schonen van sloten vanwege bijkomende vissterfte lange tijd ter discussie. Overleg tussen HSV GHV/Groene Hart en de gemeente Den Haag zorgde ervoor dat het maai- en schoningsprotocol is aangescherpt, met extra aandacht voor vissenwelzijn. Ook maakte de vereniging voor bepaalde waterrijke wijken ‘maaikaarten’ met daarop gevoelige plekken voor vis (o.a. doodlopende sloten, duikers en paaizones). Daar dienen uitvoerders bij hun werkzaamheden rekening mee te houden. Sloten in de betreffende wijken worden pas gemaaid ná de paai van vissen zoals zeelt en snoek (meestal na half juni). Het maaien zelf gebeurt standaard met een maaikorf vanaf de oever in plaats van met een maaiboot die ook de bodem omwoelt. Van de begroeiing in het water blijft altijd minstens een kwart staan als schuilplaats voor vis.

‘Hoe je het werk precies plant en uitvoert, kan voor de aanwezige vis het verschil betekenen tussen leven en dood’

Met een totale lengte van zo’n 330.000 kilometer zijn sloten haast niet weg te denken uit het Nederlandse landschap. Maar niet in elke sloot zwemt evenveel vis. Hoe zijn sloten ‘visvriendelijk(er)’ te maken? Rémon ter Harmsel van Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON) geeft tekst en uitleg over slimmer slootbeheer.
TEKST: BARD BORGER > FOTOGRAFIE:JELGER HERDER

 “Met hun saaie, kaarsrechte profiel en steile oevers verdienen sloten meestal niet de schoonheidsprijs. Het zijn dan ook kunstmatige watergangen die puur bedoeld zijn voor de aan- en afvoer van water”, steekt Ter Harmsel van wal. “Desondanks kunnen ze volop leven herbergen, mits natuurvriendelijk(er) slootbeheer wordt toegepast. Op dit moment is het echter slecht gesteld met de natuurwaarden in veel sloten. Uit onderzoek blijkt dat steeds meer libellen, amfibieën, vissen en water- en oeverplanten onder druk staan. Vervuiling, verdringing door exotische rivierkreeften en droogval – een groeiend probleem als gevolg van klimaatverandering – zijn bekende oorzaken.”

BLAUWE HAARVATEN
Ecologisch beheerde sloten zijn volgens Ter Harmsel niet alleen van grote waarde voor allerlei ‘lokale’ (zeldzame) planten en dieren. “Juist in de intensief gebruikte, volle Nederlandse omgeving dienen sloten ook als verbindingsroutes tussen boerenland, natuur en stedelijk gebied. Via die ontelbare ‘blauwe haarvaten’ kunnen vissen zich bijvoorbeeld verplaatsen tussen foerageer- en paaigebieden. De paling is een bekend voorbeeld. Die doorkruist op zijn tocht tussen zoetwater en zee vaak tientallen kilometers aan sloten. De ‘migratiefunctie’ van sloten draagt dus ook bij aan visbestanden in bredere zin.”

NAUWELIJKS PAAILOCATIES
“Een specifiek probleem voor vissen is dat ze er nauwelijks goede paailocaties vinden”, stipt Ter Harmsel een ecologisch ‘mankement’ van de doorsnee sloot aan. “Ondiepe, overstromende oeverzones (‘plasdrasgebieden’) ontbreken meestal. Terwijl vissen als de grote modderkruiper zulke plekken juist nodig hebben voor de voortplanting. Daarbij komt dat waterschappen het waterpeil vaak juist in de paaitijd laag houden – voor de landbouw. Voor zover een sloot al ondiepe oeverzones heeft, overstromen die dan dus maar zelden. Zonder deze zones heb je ook minder insecten, want die verschuilen zich juist tussen de moerasplanten die daar groeien. En dat betekent weer minder voedsel voor vis.”

ONNODIG RIGOUREUS 
Ook intensief onderhoud door beheerders doet de aanwezige vis in sloten volgens Ter Harmsel meer kwaad dan goed. “Het probleem is dat het op veel plekken onnodig vaak en te rigoureus gebeurt”, legt hij uit. “Bij het maaien van een sloot belanden in één keer alle waterplanten op de kant, waardoor het aanwezige leven deels gedood en sowieso verstoord wordt. Vis heeft ineens geen plek meer om te schuilen, waardoor reigers en aalscholvers vrij spel hebben. Natuurlijk is periodiek baggeren en maaien vaak nodig om het dichtgroeien van sloten te voorkomen. 

Maar hóe je dat werk precies plant en uitvoert, kan voor de aanwezige vis het verschil betekenen tussen leven en dood.”

IN FASEN ÉN ANDERS
Ter Harmsel pleit voor een gefaseerde aanpak. “Onderzoek als beheerder eerst of maaien en baggeren echt zo regelmatig en intensief nodig is als nu doorgaans gebeurt. Plan werkzaamheden ook buiten ecologisch ‘gevoelige’ periodes, zoals de wintermaanden en de paaiperiode. En trek sloten niet één keer helemaal leeg, maar maai ze gefaseerd. Ook als niet alle vegetatie wordt verwijderd is de aan- en afvoer van water meestal nog voldoende.” De wijze van maaien maakt ook veel verschil. “Naar het doodlopende eind toe maaien is bijvoorbeeld funest, want zo heeft de aanwezige vis geen enkele kans om te vluchten. Hetzelfde geldt voor maaien in de breedterichting van sloten. Doe dat niet naar de oever toe, maar liever andersom. Gelukkig handelen waterschappen steeds meer in lijn met dit soort adviezen.”

SAMENWERKING BOEREN
Waar mogelijk, ziet Rémon graag nog meer aanpassingen die het leven in sloten bevorderen. “Idealiter krijgen sloten meer ruimte, met natuurvriendelijke oevers en een waterpeil dat is afgestemd op de natuur. Wat dat betreft zijn agrariërs een belangrijke gesprekspartner, omdat zij in opdracht van het waterschap vaak zelf de sloten beheren die aan hun percelen grenzen. Bredere sloten gaan evenwel ten koste van hun areaal – en schelen hen dus oogst en omzet. We zien dat boeren meestal graag meewerken aan ecologisch slootbeheer, totdat ze tegen financiële grenzen aanlopen. Dat is logisch, dus moet je hen op dat vlak compenseren met beleid en subsidies. Daar is voor de overheid nog flink wat werk aan de winkel.”
BIODIVERSITEIT
Dat steeds meer partijen het nut van ecologisch slootbeheer erkennen, stemt Ter Harmsel positief. “Wij promoten dit onder meer met een speciale veldgids en geven advies ten behoeve van de gedragscode voor waterschappen en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Daarbij benadrukken we altijd dat niet alleen zeldzame (vis)soorten, maar ook al het andere leven profiteert. Een goede biodiversiteit is niet zomaar een vinkje voor beleidsdoelen als de Europese Kaderrichtlijn Water en Basiskwaliteit Natuur. Het is een teken van schoon water en gezondere natuur in algemene zin. Hengelsportverenigingen die veel sloten als viswater hebben, zou ik zeker adviseren om dit punt bij de waterbeheerder te onderstrepen. Zo krijg je ze eerder mee en kunnen we in dit dossier samen optrekken.”

SLIMMER
SLOOTBEHEER

spraakwater

In Spraakwater spreekt iemand – van BN’ers tot politici en van sportvissers tot wetenschappers – zich uit over thema’s rond vis en sportvisserij. Deze maand is dat Rémon ter Harmsel van Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).

‘Hoe je het werk precies plant en uitvoert, kan voor de aanwezige vis het verschil betekenen tussen leven en dood’

Met een totale lengte van zo’n 330.000 kilometer zijn sloten haast niet weg te denken uit het Nederlandse landschap. Maar niet in elke sloot zwemt evenveel vis. Hoe zijn sloten ‘visvriendelijk(er)’ te maken? Rémon ter Harmsel van Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON) geeft tekst en uitleg over slimmer slootbeheer.
TEKST: BARD BORGER > FOTOGRAFIE:JELGER HERDER

 “Met hun saaie, kaarsrechte profiel en steile oevers verdienen sloten meestal niet de schoonheidsprijs. Het zijn dan ook kunstmatige watergangen die puur bedoeld zijn voor de aan- en afvoer van water”, steekt Ter Harmsel van wal. “Desondanks kunnen ze volop leven herbergen, mits natuurvriendelijk(er) slootbeheer wordt toegepast. Op dit moment is het echter slecht gesteld met de natuurwaarden in veel sloten. Uit onderzoek blijkt dat steeds meer libellen, amfibieën, vissen en water- en oeverplanten onder druk staan. Vervuiling, verdringing door exotische rivierkreeften en droogval – een groeiend probleem als gevolg van klimaatverandering – zijn bekende oorzaken.”

BLAUWE HAARVATEN
Ecologisch beheerde sloten zijn volgens Ter Harmsel niet alleen van grote waarde voor allerlei ‘lokale’ (zeldzame) planten en dieren. “Juist in de intensief gebruikte, volle Nederlandse omgeving dienen sloten ook als verbindingsroutes tussen boerenland, natuur en stedelijk gebied. Via die ontelbare ‘blauwe haarvaten’ kunnen vissen zich bijvoorbeeld verplaatsen tussen foerageer- en paaigebieden. De paling is een bekend voorbeeld. Die doorkruist op zijn tocht tussen zoetwater en zee vaak tientallen kilometers aan sloten. De ‘migratiefunctie’ van sloten draagt dus ook bij aan visbestanden in bredere zin.”

NAUWELIJKS PAAILOCATIES
“Een specifiek probleem voor vissen is dat ze er nauwelijks goede paailocaties vinden”, stipt Ter Harmsel een ecologisch ‘mankement’ van de doorsnee sloot aan. “Ondiepe, overstromende oeverzones (‘plasdrasgebieden’) ontbreken meestal. Terwijl vissen als de grote modderkruiper zulke plekken juist nodig hebben voor de voortplanting. Daarbij komt dat waterschappen het waterpeil vaak juist in de paaitijd laag houden – voor de landbouw. Voor zover een sloot al ondiepe oeverzones heeft, overstromen die dan dus maar zelden. Zonder deze zones heb je ook minder insecten, want die verschuilen zich juist tussen de moerasplanten die daar groeien. En dat betekent weer minder voedsel voor vis.”

ONNODIG RIGOUREUS 
Ook intensief onderhoud door beheerders doet de aanwezige vis in sloten volgens Ter Harmsel meer kwaad dan goed. “Het probleem is dat het op veel plekken onnodig vaak en te rigoureus gebeurt”, legt hij uit. “Bij het maaien van een sloot belanden in één keer alle waterplanten op de kant, waardoor het aanwezige leven deels gedood en sowieso verstoord wordt. Vis heeft ineens geen plek meer om te schuilen, waardoor reigers en aalscholvers vrij spel hebben. Natuurlijk is periodiek baggeren en maaien vaak nodig om het dichtgroeien van sloten te voorkomen. 

AANGESCHERPT SLOOTSCHONEN

Ook in de Randstad – inclusief het Groene Hart – stond het maaien en schonen van sloten vanwege bijkomende vissterfte lange tijd ter discussie. Overleg tussen HSV GHV/Groene Hart en de gemeente Den Haag zorgde ervoor dat het maai- en schoningsprotocol is aangescherpt, met extra aandacht voor vissenwelzijn. Ook maakte de vereniging voor bepaalde waterrijke wijken ‘maaikaarten’ met daarop gevoelige plekken voor vis (o.a. doodlopende sloten, duikers en paaizones). Daar dienen uitvoerders bij hun werkzaamheden rekening mee te houden. Sloten in de betreffende wijken worden pas gemaaid ná de paai van vissen zoals zeelt en snoek (meestal na half juni). Het maaien zelf gebeurt standaard met een maaikorf vanaf de oever in plaats van met een maaiboot die ook de bodem omwoelt. Van de begroeiing in het water blijft altijd minstens een kwart staan als schuilplaats voor vis.

Maar hóe je dat werk precies plant en uitvoert, kan voor de aanwezige vis het verschil betekenen tussen leven en dood.”

IN FASEN ÉN ANDERS
Ter Harmsel pleit voor een gefaseerde aanpak. “Onderzoek als beheerder eerst of maaien en baggeren echt zo regelmatig en intensief nodig is als nu doorgaans gebeurt. Plan werkzaamheden ook buiten ecologisch ‘gevoelige’ periodes, zoals de wintermaanden en de paaiperiode. En trek sloten niet één keer helemaal leeg, maar maai ze gefaseerd. Ook als niet alle vegetatie wordt verwijderd is de aan- en afvoer van water meestal nog voldoende.” De wijze van maaien maakt ook veel verschil. “Naar het doodlopende eind toe maaien is bijvoorbeeld funest, want zo heeft de aanwezige vis geen enkele kans om te vluchten. Hetzelfde geldt voor maaien in de breedterichting van sloten. Doe dat niet naar de oever toe, maar liever andersom. Gelukkig handelen waterschappen steeds meer in lijn met dit soort adviezen.”

SAMENWERKING BOEREN
Waar mogelijk, ziet Rémon graag nog meer aanpassingen die het leven in sloten bevorderen. “Idealiter krijgen sloten meer ruimte, met natuurvriendelijke oevers en een waterpeil dat is afgestemd op de natuur. Wat dat betreft zijn agrariërs een belangrijke gesprekspartner, omdat zij in opdracht van het waterschap vaak zelf de sloten beheren die aan hun percelen grenzen. Bredere sloten gaan evenwel ten koste van hun areaal – en schelen hen dus oogst en omzet. We zien dat boeren meestal graag meewerken aan ecologisch slootbeheer, totdat ze tegen financiële grenzen aanlopen. Dat is logisch, dus moet je hen op dat vlak compenseren met beleid en subsidies. Daar is voor de overheid nog flink wat werk aan de winkel.”

BIODIVERSITEIT
Dat steeds meer partijen het nut van ecologisch slootbeheer erkennen, stemt Ter Harmsel positief. “Wij promoten dit onder meer met een speciale veldgids en geven advies ten behoeve van de gedragscode voor waterschappen en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Daarbij benadrukken we altijd dat niet alleen zeldzame (vis)soorten, maar ook al het andere leven profiteert. Een goede biodiversiteit is niet zomaar een vinkje voor beleidsdoelen als de Europese Kaderrichtlijn Water en Basiskwaliteit Natuur. Het is een teken van schoon water en gezondere natuur in algemene zin. Hengelsportverenigingen die veel sloten als viswater hebben, zou ik zeker adviseren om dit punt bij de waterbeheerder te onderstrepen. Zo krijg je ze eerder mee en kunnen we in dit dossier samen optrekken.”

Sportvisserij Nederland

Hét VISblad online magazine
Volledig scherm