Zoetwatervissen
hebben vaak een groot leefgebied tot hun beschikking. Toch verschilt het nogal hoe ze die ruimte benutten: de ene soort is heel erg gehecht aan een vaste stek, terwijl de andere juist rondzwerft. Onderzoekers buigen zich over de vraag hoe dit verschillende gedrag kan worden verklaard.
TEKST: ARNO VAN ’T HOOG 
BEELD: JANNY BOSMAN

BIJVANGST

De vraag of vissen altijd op dezelfde stek huizen, houdt niet alleen sportvissers bezig. Vijfentwintig jaar geleden zochten Amerikaanse wetenschappers het antwoord in een meertje van zo’n 7 hectare waar nooit werd gevist. De onderzoekers verdeelden het langwerpige meer in tien sectoren en bevisten telkens één sector. De gevangen vis werd in een bak naar de aanlegsteiger gevaren, tot wel 700 meter van de vangstplek. Daar kreeg de vis een klein genummerd merkje voordat-ie werd vrijgelaten. Een week later bevisten de onderzoekers dezelfde sector weer om te zien of de gemerkte vissen waren teruggekeerd. Dit herhaalden ze gedurende twee jaar meerdere keren, waarbij ze vele honderden vissen vingen.

VOEDSELVOORKEUR
In het meer zwommen uitsluitend rovers: forelbaars (Micropterus salmoides),  kleinbekbaars (Micropterus dolomieu) en gestreepte baars (Perca flavescens; de neef van onze Europese baars). Uit de resultaten bleek dat baarzen sterk verschillen in hun neiging om hun oude stek op te zoeken. Kleinbekbaars is weinig honkvast, maar sommige gestreepte baarzen werden vier of vijf keer in dezelfde sector gevangen. Volgens de onderzoekers verschillen vissen in plaatstrouw door hun voedselvoorkeur: gestreepte baars richt zich op libellenlarven die op enkele vaste plaatsen te vinden zijn, kleinbekbaars jaagt op jonge vis die rondzwemt.

WISSELEND GEDRAG
De ruimte die zoetwatervis ter beschikking heeft speelt ook een rol – in een klein, afgesloten meertje kan een vis niet verkassen. Bij een onderzoek in Zuidwest-Engeland had de vis juist alle ruimte. Daar hadden brasems een flink watergebied tot hun beschikking, met daarin riviertjes en ondiepe meertjes. Onderzoek met zenders liet zien dat brasemgedrag heel divers is: sommige scholen leefden in een gebied van slechts enkele kilometers, terwijl anderen volop rondtrokken. Reislustige brasems legden in een seizoen zestig kilometer af, en sommigen zelfs 165 kilometer!

HEEL HONKVAST
In de Ourthe – een zijrivier van de Maas – zien onderzoekers dat snoeken min of meer een vaste ‘home range’ hebben. Gemeten over een jaar verkent snoek zo’n twaalf kilometer van de rivierloop. In het vroege voorjaar spelen de hormonen op en trekken snoeken tien tot vijftien kilometer stroomopwaarts, naar ondiep water met waterplanten om voor nageslacht te zorgen. Daarna keren de meeste terug naar hun oude leefgebied, al zakken sommige verder de rivier af. Barbeel lijkt een toonbeeld van honkvastheid. Een klein onderzoek aan zes barbelen in de Ourthe laat zien dat de vissen elk jaar exact hetzelfde paaigebied opzoeken, om na de paai binnen 48 uur weer terug te keren naar hun vaste rustplaats. Een knappe prestatie gezien het feit dat barbelen soms twintig kilometer stroomopwaarts trekken in water met matig zicht.

De vraag of vissen altijd op dezelfde stek huizen, houdt niet alleen sportvissers bezig. Vijfentwintig jaar geleden zochten Amerikaanse wetenschappers het antwoord in een meertje van zo’n 7 hectare waar nooit werd gevist. De onderzoekers verdeelden het langwerpige meer in tien sectoren en bevisten telkens één sector. De gevangen vis werd in een bak naar de aanlegsteiger gevaren, tot wel 700 meter van de vangstplek. Daar kreeg de vis een klein genummerd merkje voordat-ie werd vrijgelaten. Een week later bevisten de onderzoekers dezelfde sector weer om te zien of de gemerkte vissen waren teruggekeerd. Dit herhaalden ze gedurende twee jaar meerdere keren, waarbij ze vele honderden vissen vingen.

VOEDSELVOORKEUR
In het meer zwommen uitsluitend rovers: forelbaars (Micropterus salmoides),  kleinbekbaars (Micropterus dolomieu) en gestreepte baars (Perca flavescens; de neef van onze Europese baars). Uit de resultaten bleek dat baarzen sterk verschillen in hun neiging om hun oude stek op te zoeken. Kleinbekbaars is weinig honkvast, maar sommige gestreepte baarzen werden vier of vijf keer in dezelfde sector gevangen. Volgens de onderzoekers verschillen vissen in plaatstrouw door hun voedselvoorkeur: gestreepte baars richt zich op libellenlarven die op enkele vaste plaatsen te vinden zijn, kleinbekbaars jaagt op jonge vis die rondzwemt.

WISSELEND GEDRAG
De ruimte die zoetwatervis ter beschikking heeft speelt ook een rol – in een klein, afgesloten meertje kan een vis niet verkassen. Bij een onderzoek in Zuidwest-Engeland had de vis juist alle ruimte. Daar hadden brasems een flink watergebied tot hun beschikking, met daarin riviertjes en ondiepe meertjes. Onderzoek met zenders liet zien dat brasemgedrag heel divers is: sommige scholen leefden in een gebied van slechts enkele kilometers, terwijl anderen volop rondtrokken. Reislustige brasems legden in een seizoen zestig kilometer af, en sommigen zelfs 165 kilometer!

HEEL HONKVAST
In de Ourthe – een zijrivier van de Maas – zien onderzoekers dat snoeken min of meer een vaste ‘home range’ hebben. Gemeten over een jaar verkent snoek zo’n twaalf kilometer van de rivierloop. In het vroege voorjaar spelen de hormonen op en trekken snoeken tien tot vijftien kilometer stroomopwaarts, naar ondiep water met waterplanten om voor nageslacht te zorgen. Daarna keren de meeste terug naar hun oude leefgebied, al zakken sommige verder de rivier af. Barbeel lijkt een toonbeeld van honkvastheid. Een klein onderzoek aan zes barbelen in de Ourthe laat zien dat de vissen elk jaar exact hetzelfde paaigebied opzoeken, om na de paai binnen 48 uur weer terug te keren naar hun vaste rustplaats. Een knappe prestatie gezien het feit dat barbelen soms twintig kilometer stroomopwaarts trekken in water met matig zicht.

Sportvisserij Nederland

Hét VISblad online magazine
Volledig scherm