TEKST: REDACTIE > FOTOGRAFIE: SANDER BOER, REIN RIJKE & REDACTIE
Winters witvissen met de vaste hengel vraagt om het maken van de juiste keuzes. Een visrijke stek plus kleine aanpassingen in aas, presentatie en voerstrategie maken vaak het verschil tussen blanken en vangen van mooie blankvoorns. In dit artikel vind je praktische tips voor succesvol wintervissen met de vaste stok.
VASTE HENGEL VOORNTIPS
IMITATIE AASSOORTEN
Spaghetti en Rubiver zijn kunstaas voor de witvisser. De eerste wordt nog veel gebruikt, terwijl de tweede ietwat in vergetelheid is geraakt. Het voordeel van spaghetti is dat dit elastische imitatie-aas – zonder geur- en smaakstoffen – stevig op de haak blijft zitten en niet snel loskomt. Met één sliertje kun je dus veel vis vangen, zonder steeds opnieuw te hoeven beazen. Rubiver vraagt om een andere aanpak. Knijp een klein beetje van dit opvallend rood gekleurde goedje – wat lijkt op muggenlarven – uit de tube en boetseer een kleverig, larve-achtig aasje rond de haak. Zorg dat je dit strak en netjes doet, zodat de Rubiver mooi compact blijft en niet snel van de haak afglijdt.
VOLLEDIG VERSTOPPEN
Casters zijn in de winter prima haakaas, mits ze goed (= subtiel) worden gepresenteerd. Verstop de haak daarom volledig in de madenpop. Kies de haak niet te klein: die moet breed genoeg zijn om in caster houvast te kunnen vinden. Vaak is maat 16 ideaal. Prik de haakpunt tot de haakbocht in de brede achterkant naar binnen. Draai de haak vervolgens 180 graden en duw het oogje of bledje van de haak naar binnen. Een volledig verborgen haak zorgt voor een meer natuurlijke aaspresentatie en minder argwaan bij de vis. Houd er ook rekening mee dat hoe donkerder de caster, des te langzamer hij zinkt. Varieer daarom met lichte en donkere exemplaren om te ontdekken welke kleur het beste werkt.
SECUUR PEILEN
Heb je eenmaal bepaald waar je precies wilt gaan vissen, peil de stek dan met veel zorg uit. In de winterperiode ziet de bodem er soms heel anders uit dan je gewend bent. Vaak liggen er afgestorven waterplanten en bladafval op de bodem, waar dit materiaal door de lage watertemperatuur nauwelijks afbreekt. Plekken die in de zomer schoon en hard waren, zijn nu bedekt met organisch afval. Dat heeft invloed op waar en hoe je vist. Met licht aas en voer plus een staande haak kun je wel vissen, terwijl je met een sleepje om de haverklap vastloopt. Bij het peilen is het daarom belangrijk niet alleen op diepte te letten, maar ook op de bodemstructuur.
let bij het uitpeilen van je stek niet alleen op de diepte, maar ook op de structuur van de bodem
MAÏSPAPJE: BONUSVIS
Om de kans op succes richting het einde van je sessie te vergroten, kun je speciaal een tweede voerstek prepareren. Doe dit met grof aas om gericht op bonusvissen zoals grote blankvoorns te mikken. Blikmaïs is vanwege het formaat behoorlijk selectief, maar een volle hand korrels ligt in de winter te zwaar op de maag. Knip daarom (een deel van) de maïs fijn met een wormenschaar en voer dit papje met een pole cup geconcentreerd op één plek. Timing is hierbij belangrijk, want grote voorns zijn net voordat het donker wordt vaak extra actief. Maak de tweede voerstek dus niet uren van tevoren al aan, maar doe dit zo’n dertig tot vijftien minuten voordat het begint te schemeren. Laat dit stekje daarna even met rust, zodat de vis rustig kan wennen en niet wordt afgeschrikt. Laat net voor de schemering je haakaas hier zakken en prik een hele maïskorrel op de haak om selectief te werk te gaan.
AASPRESENTATIE
In de winter kunnen hele kleine aanpassingen in de presentatie van het haakaas al het verschil maken. Varieer daarom met de aasaanbieding als aanbeten uitblijven. Het haakaas kan bijvoorbeeld net boven de bodem, tegen de bodem (staande haak) of met de onderlijn gedeeltelijk plat op de bodem worden gepresenteerd. Vervolgens kun je gaan experimenteren door statisch te vissen of het haakaas juist langzaam in beweging te brengen. De boel rustig ietsje omhoog liften of kleine trillingen aan het aas meegeven zijn vaak een signaal voor de vis om in actie te komen. Anderzijds kan het ook wel eens voorkomen dat beweging de vissen juist afschrikt. Kortom: proberen en experimenteren is het devies.
DOBBERKEUZE
Kies in de winter bij voorkeur voor een slank dobbermodel van 0,5 tot 2 gram. Hoe slanker het drijflichaam, des te minder weerstand de vis voelt en hoe beter aanbeten doorzetten. Het materiaal en de lengte van de onderantenne hebben veel invloed op de stabiliteit en beetregistratie. Stalen of glasvezel onderantennes zijn zwaarder en zorgen dat de dobber sneller rechtop staat na het inleggen. Hoe korter de antenne, des te sneller dit gebeurt. Dit is ideaal bij wind, stroming of dieper water, omdat het aas gecontroleerd naar beneden zakt en de montage stabiel blijft. Vis je echter met een langzaam zinkende, natuurlijke aaspresentatie en pakt de voorn het haakaas tijdens de afzink? Dan is metaal niet de beste keuze. De dobber staat wel rechtop, maar de lijn zakt met een bocht waardoor subtiele aanbeten minder goed doorkomen. Een carbon onderantenne volgt daarentegen mooi de hoek van de lijn en geeft zelfs de kleinste aanbeet duidelijk door.
ZICHTBAARHEID ANTENNE
Bij dobbers die zijn ontworpen voor de vaste hengel heeft de bovenantenne vaak maar één kleur. Dit in tegenstelling tot matchdobbers, waarvan de antenne vaak meerdere kleuren heeft om de beetregistratie op afstand te verbeteren. Vooral bij zwak licht – wat in de winter vaak het geval is – of een achtergrond die onrustig is voor de ogen helpt een goed contrast om aanbeten te kunnen signaleren. Zeker de subtiele beetjes, waarbij de dobber licht dipt en verder blijft staan, mis je snel. Dit kun je eenvoudig oplossen door de onderste helft van de antenne zwart te kleuren met een stift. Zo wordt het contrast groter en zie je ook minimale aanbeten veel duidelijker doorkomen.
BAAS OVER ZINKFASE
Met de hoeveelheid verzwaring, het type en de plaatsing hiervan kun je de val van het haakaas sturen. Ook de manier van inleggen – gestrekt of onder de top laten zakken – beïnvloedt de afzinksnelheid. Of je dit snel (als een baksteen) dan wel langzaam (meer natuurlijk) doet, verschilt per situatie. Waar je ook voor kiest, het werkt vaak goed om de afzinksnelheid van het haakaas en de voermethode op elkaar af te stemmen. Kortom: denk goed na over de invloed van het voer en de verzwaring plus positionering hiervan op de aasaanbieding en experimenteer met verschillende zettingen en inlegroutines. Zo ontdek je wat het beste werkt bij actieve of juist passieve vis.
MINDER MISSERS
Reageren op aanbeten is in de winter best nog een opgave. Je wilt immers geen enkele aanbeet – hoe minimaal ook – missen, maar te snel aanslaan is ook geen goed idee. Zet je de haak te vroeg, dan mis je niet alleen die vis maar loop je ook het risico dat deze losschieter andere aanwezige vissen afschrikt. Dat kan de activiteit op de stek zelfs volledig stilleggen. Het is daarom beter de vis goed door te laten bijten. Daarbij is het advies om de sessie te starten met een staande haak. Mis je veel aanbeten? Schuif de dobber dan twee centimeter omhoog. Doe dit net zolang totdat het aantal missers afneemt. Zo geef je de vis wat extra ruimte om het aas goed te pakken.
SNEL LATEN ZINKEN
In de winter is regelmatig kleine porties los aas voeren een bewezen succesformule. Kleine vis kan die strategie echter danig in de war schoppen. Roofbleitjes, alvers, baarsjes en mini-voorntjes onderscheppen langzaam zinkend aas op half water, waardoor er niets meer bij de bodem komt. Dan werkt het beter om in één keer een flinke hand aas te voeren, zodat het merendeel direct op de bodem belandt en grotere vissen ook wat te eten vinden. Je kunt ook een baitdropper gebruiken om los aas – zoals hennepzaad of casters – geconcentreerd bij de bodem krijgen. Zware ballen lokvoer zijn ook een optie, maar alleen bij aanvang van de sessie: door veel voer te brengen raakt de vis vaak snel verzadigd. Stem ten slotte ook je dobbertuig af op deze strategie: gebruik een forse bulkverzwaring met een olivette die vlot richting de bodem zakt. Een gespreide zetting en een natuurlijke afzink vergroot de kans dat kleine vis je haakaas weet te onderscheppen.
De
dieptemeter laat duidelijk een school blankvoorns zien
WITVIS ZOEKEN 2.0
Een dieptemeter is een ideaal hulpmiddel om – buiten wedstrijdverband – vis te lokaliseren, maar dit wordt zelden door witvissers gebruikt. Terwijl een draadloos, werpbaar ‘eitje’ een mooie oplossing is om in veel ‘leeg’ water de zones te vinden waar scholen witvis geconcentreerd bij elkaar liggen. Knoop de 65 tot 100 gram zware sonar aan het uiteinde van een minimaal 25/00 gevlochten lijn en gebruik een stevige spin- of karperhengel – een telescopisch model is praktisch tijdens het vervoer. Het apparaat meet onder meer de diepte en bodemstructuur, maar geeft ook signalen van vis accuraat weer op je telefoon of tablet.
ACTIEVE VIS
& VOGELS
In de ochtend- en avondschemering is vooral op windstille winterdagen soms veel activiteit op het water te zien. Zelfs in ijskoude omstandigheden rollen blankvoorns en brasems door het oppervlak, maar vaak is deze activiteit van korte duur. Zorg dus dat je deze momenten benut om te observeren waar de witvis zich ophoudt. Let ook op andere indicatoren, zoals watervogels. Waar futen en aalscholvers jagen huist vis. Duikeendjes en meerkoeten gaan vaak kopje onder op plekken met plantenresten en mosselbanken, waar vissen natuurlijk voedsel vinden. Dit zijn waardevolle aanknopingspunten op wateren zonder gemakkelijk herkenbare hotspots zoals bruggen, kades, woonboten en haventjes.
VASTE HENGEL VOORNTIPS
Winters witvissen met de vaste hengel vraagt om het maken van de juiste keuzes. Een visrijke stek plus kleine aanpassingen in aas, presentatie en voerstrategie maken vaak het verschil tussen blanken en vangen van mooie blankvoorns. In dit artikel vind je praktische tips voor succesvol wintervissen met de vaste stok.
IMITATIE AASSOORTEN
Spaghetti en Rubiver zijn kunstaas voor de witvisser. De eerste wordt nog veel gebruikt, terwijl de tweede ietwat in vergetelheid is geraakt. Het voordeel van spaghetti is dat dit elastische imitatie-aas – zonder geur- en smaakstoffen – stevig op de haak blijft zitten en niet snel loskomt. Met één sliertje kun je dus veel vis vangen, zonder steeds opnieuw te hoeven beazen. Rubiver vraagt om een andere aanpak. Knijp een klein beetje van dit opvallend rood gekleurde goedje – wat lijkt op muggenlarven – uit de tube en boetseer een kleverig, larve-achtig aasje rond de haak. Zorg dat je dit strak en netjes doet, zodat de Rubiver mooi compact blijft en niet snel van de haak afglijdt.
VOLLEDIG VERSTOPPEN
Casters zijn in de winter prima haakaas, mits ze goed (= subtiel) worden gepresenteerd. Verstop de haak daarom volledig in de madenpop. Kies de haak niet te klein: die moet breed genoeg zijn om in caster houvast te kunnen vinden. Vaak is maat 16 ideaal. Prik de haakpunt tot de haakbocht in de brede achterkant naar binnen. Draai de haak vervolgens 180 graden en duw het oogje of bledje van de haak naar binnen. Een volledig verborgen haak zorgt voor een meer natuurlijke aaspresentatie en minder argwaan bij de vis. Houd er ook rekening mee dat hoe donkerder de caster, des te langzamer hij zinkt. Varieer daarom met lichte en donkere exemplaren om te ontdekken welke kleur het beste werkt.
SECUUR PEILEN
Heb je eenmaal bepaald waar je precies wilt gaan vissen, peil de stek dan met veel zorg uit. In de winterperiode ziet de bodem er soms heel anders uit dan je gewend bent. Vaak liggen er afgestorven waterplanten en bladafval op de bodem, waar dit materiaal door de lage watertemperatuur nauwelijks afbreekt. Plekken die in de zomer schoon en hard waren, zijn nu bedekt met organisch afval. Dat heeft invloed op waar en hoe je vist. Met licht aas en voer plus een staande haak kun je wel vissen, terwijl je met een sleepje om de haverklap vastloopt. Bij het peilen is het daarom belangrijk niet alleen op diepte te letten, maar ook op de bodemstructuur.
let bij het uitpeilen van je stek niet alleen op de diepte, maar ook op de structuur van de bodem
MAÏSPAPJE: BONUSVIS
Om de kans op succes richting het einde van je sessie te vergroten, kun je speciaal een tweede voerstek prepareren. Doe dit met grof aas om gericht op bonusvissen zoals grote blankvoorns te mikken. Blikmaïs is vanwege het formaat behoorlijk selectief, maar een volle hand korrels ligt in de winter te zwaar op de maag. Knip daarom (een deel van) de maïs fijn met een wormenschaar en voer dit papje met een pole cup geconcentreerd op één plek. Timing is hierbij belangrijk, want grote voorns zijn net voordat het donker wordt vaak extra actief. Maak de tweede voerstek dus niet uren van tevoren al aan, maar doe dit zo’n dertig tot vijftien minuten voordat het begint te schemeren. Laat dit stekje daarna even met rust, zodat de vis rustig kan wennen en niet wordt afgeschrikt. Laat net voor de schemering je haakaas hier zakken en prik een hele maïskorrel op de haak om selectief te werk te gaan.
AASPRESENTATIE
In de winter kunnen hele kleine aanpassingen in de presentatie van het haakaas al het verschil maken. Varieer daarom met de aasaanbieding als aanbeten uitblijven. Het haakaas kan bijvoorbeeld net boven de bodem, tegen de bodem (staande haak) of met de onderlijn gedeeltelijk plat op de bodem worden gepresenteerd. Vervolgens kun je gaan experimenteren door statisch te vissen of het haakaas juist langzaam in beweging te brengen. De boel rustig ietsje omhoog liften of kleine trillingen aan het aas meegeven zijn vaak een signaal voor de vis om in actie te komen. Anderzijds kan het ook wel eens voorkomen dat beweging de vissen juist afschrikt. Kortom: proberen en experimenteren is het devies.
DOBBERKEUZE
Kies in de winter bij voorkeur voor een slank dobbermodel van 0,5 tot 2 gram. Hoe slanker het drijflichaam, des te minder weerstand de vis voelt en hoe beter aanbeten doorzetten. Het materiaal en de lengte van de onderantenne hebben veel invloed op de stabiliteit en beetregistratie. Stalen of glasvezel onderantennes zijn zwaarder en zorgen dat de dobber sneller rechtop staat na het inleggen. Hoe korter de antenne, des te sneller dit gebeurt. Dit is ideaal bij wind, stroming of dieper water, omdat het aas gecontroleerd naar beneden zakt en de montage stabiel blijft. Vis je echter met een langzaam zinkende, natuurlijke aaspresentatie en pakt de voorn het haakaas tijdens de afzink? Dan is metaal niet de beste keuze. De dobber staat wel rechtop, maar de lijn zakt met een bocht waardoor subtiele aanbeten minder goed doorkomen. Een carbon onderantenne volgt daarentegen mooi de hoek van de lijn en geeft zelfs de kleinste aanbeet duidelijk door.
ZICHTBAARHEID ANTENNE
Bij dobbers die zijn ontworpen voor de vaste hengel heeft de bovenantenne vaak maar één kleur. Dit in tegenstelling tot matchdobbers, waarvan de antenne vaak meerdere kleuren heeft om de beetregistratie op afstand te verbeteren. Vooral bij zwak licht – wat in de winter vaak het geval is – of een achtergrond die onrustig is voor de ogen helpt een goed contrast om aanbeten te kunnen signaleren. Zeker de subtiele beetjes, waarbij de dobber licht dipt en verder blijft staan, mis je snel. Dit kun je eenvoudig oplossen door de onderste helft van de antenne zwart te kleuren met een stift. Zo wordt het contrast groter en zie je ook minimale aanbeten veel duidelijker doorkomen.
SNEL LATEN ZINKEN
In de winter is regelmatig kleine porties los aas voeren een bewezen succesformule. Kleine vis kan die strategie echter danig in de war schoppen. Roofbleitjes, alvers, baarsjes en mini-voorntjes onderscheppen langzaam zinkend aas op half water, waardoor er niets meer bij de bodem komt. Dan werkt het beter om in één keer een flinke hand aas te voeren, zodat het merendeel direct op de bodem belandt en grotere vissen ook wat te eten vinden. Je kunt ook een baitdropper gebruiken om los aas – zoals hennepzaad of casters – geconcentreerd bij de bodem krijgen. Zware ballen lokvoer zijn ook een optie, maar alleen bij aanvang van de sessie: door veel voer te brengen raakt de vis vaak snel verzadigd. Stem ten slotte ook je dobbertuig af op deze strategie: gebruik een forse bulkverzwaring met een olivette die vlot richting de bodem zakt. Een gespreide zetting en een natuurlijke afzink vergroot de kans dat kleine vis je haakaas weet te onderscheppen.
MINDER MISSERS
Reageren op aanbeten is in de winter best nog een opgave. Je wilt immers geen enkele aanbeet – hoe minimaal ook – missen, maar te snel aanslaan is ook geen goed idee. Zet je de haak te vroeg, dan mis je niet alleen die vis maar loop je ook het risico dat deze losschieter andere aanwezige vissen afschrikt. Dat kan de activiteit op de stek zelfs volledig stilleggen. Het is daarom beter de vis goed door te laten bijten. Daarbij is het advies om de sessie te starten met een staande haak. Mis je veel aanbeten? Schuif de dobber dan twee centimeter omhoog. Doe dit net zolang totdat het aantal missers afneemt. Zo geef je de vis wat extra ruimte om het aas goed te pakken.
BAAS OVER ZINKFASE
Met de hoeveelheid verzwaring, het type en de plaatsing hiervan kun je de val van het haakaas sturen. Ook de manier van inleggen – gestrekt of onder de top laten zakken – beïnvloedt de afzinksnelheid. Of je dit snel (als een baksteen) dan wel langzaam (meer natuurlijk) doet, verschilt per situatie. Waar je ook voor kiest, het werkt vaak goed om de afzinksnelheid van het haakaas en de voermethode op elkaar af te stemmen. Kortom: denk goed na over de invloed van het voer en de verzwaring plus positionering hiervan op de aasaanbieding en experimenteer met verschillende zettingen en inlegroutines. Zo ontdek je wat het beste werkt bij actieve of juist passieve vis.
De
dieptemeter laat duidelijk een school blankvoorns zien
WITVIS ZOEKEN 2.0
Een dieptemeter is een ideaal hulpmiddel om – buiten wedstrijdverband – vis te lokaliseren, maar dit wordt zelden door witvissers gebruikt. Terwijl een draadloos, werpbaar ‘eitje’ een mooie oplossing is om in veel ‘leeg’ water de zones te vinden waar scholen witvis geconcentreerd bij elkaar liggen. Knoop de 65 tot 100 gram zware sonar aan het uiteinde van een minimaal 25/00 gevlochten lijn en gebruik een stevige spin- of karperhengel – een telescopisch model is praktisch tijdens het vervoer. Het apparaat meet onder meer de diepte en bodemstructuur, maar geeft ook signalen van vis accuraat weer op je telefoon of tablet.
ACTIEVE VIS
& VOGELS
In de ochtend- en avondschemering is vooral op windstille winterdagen soms veel activiteit op het water te zien. Zelfs in ijskoude omstandigheden rollen blankvoorns en brasems door het oppervlak, maar vaak is deze activiteit van korte duur. Zorg dus dat je deze momenten benut om te observeren waar de witvis zich ophoudt. Let ook op andere indicatoren, zoals watervogels. Waar futen en aalscholvers jagen huist vis. Duikeendjes en meerkoeten gaan vaak kopje onder op plekken met plantenresten en mosselbanken, waar vissen natuurlijk voedsel vinden. Dit zijn waardevolle aanknopingspunten op wateren zonder gemakkelijk herkenbare hotspots zoals bruggen, kades, woonboten en haventjes.